Version à imprimer

De bewegingswetten van het kapitalistisch bedrijfsleven (G.I.C., 1932)


Inleiding


De onderhavige tekst is onbekend, onbemind en vooral onvertaald gebleven. Het gaat om een bijdrage aan het debat binnen de Internationalistische Communistische Linkerzijde over de open crisis die in 1929 aan de oppervlakte kwam. Hij werd geschreven door H. de Beer, vervolgens binnen de Groep van Internationale Communisten in Amsterdam besproken, en uiteindelijk verbeterd en in kleine oplage in 1932 in gestencilde vorm uitgegeven in de Persdienst.

Uitgaande van Karl Marx’ Kapitaal worden de innerlijke tegenspraken van het kapitalisme blootgelegd in een voor ieder begrijpelijke taal, waarbij duidelijk wordt gesteld dat de overproductie een tijdelijk gevolg, maar niet oorzaak van de crisis is. De crisis begon voordat de beurs van Wall Street het begaf en had alles te maken met een voorafgaande daling van de winstvoet op de wereldmarkt : “Naar onze opvatting is de overproductie niet de oorzaak van de crisis, maar de crisis roept de overproductie te voorschijn.” Dat neemt niet weg dat de omvang van de markt niet mechanisch en lineair met een dalende winstvoet verbonden is.

Tegenover het idee dat deze crisis de ‘doodscrisis’ van het kapitalisme zou zijn wordt bovendien gewaarschuwd : “Op de staatskapitalistische strekkingen in de huidige ontwikkeling moeten we bedacht zijn en het moet duidelijk zijn, dat hier voor het kapitalisme nog uitwegen liggen. Deze crisis is dus volstrekt geen ‘doodscrisis’. Alleen de arbeiders kunnen er een doodscrisis van maken, door iedere uitweg af te snijden, dat wil zeggen het kommunistisch bedrijfsleven te grondvesten. Daarom is voor alles klare propaganda nodig. Klare propaganda omtrent het wezen van de kapitalistische en van de kommunistische productie. Dit moeten de hoekstenen zijn, waarop de ontwikkeling van het proletarische zelfbewustzijn moet rusten.”

Het antwoord van de bourgeoisie in de centra van het kapitalisme bestond uit de ontwikkeling van een staatskapitalisme waarin de arbeidsproductiviteit werd opgedreven in het keynesiaans-fordistische model : ploegenarbeid in de industrie, groeiende staatscontrole en sociale wetgeving in het raamwerk van de oorlogseconomie. De Amerikaanse, Duitse en Russische modellen, met verschillende middelen, deden daarin niet voor elkaar onder.

Als de huidige crisis in veel opzichten verschilt van die in 1929 dan leidt lezing van deze brochure van de G.I.C. ook tot de conclusie dat er veel gemeenschappelijk is dat verdient in overweging te worden genomen voor een beter begrip van de huidige crisis. Hoe dan ook : “De bourgeoisie heeft alleen een psychologische en geen economische verklaring van het vraagstuk, zodat ze aan de oppervlakkige verschijnselen van de dag, aan productiecijfers, goudbeweging enz. wil laten zien, waardoor het vertrouwen gewekt werd en waardoor de angstpsychose ontstond”. Momenteel is het weinig anders. Het is hoog tijd dat deze tekst aan de vergetelheid wordt ontrukt.

Maar de belangrijkste conclusie blijft de volgende : als de arbeidersklasse de strijd niet aangaat, dan gaan we van kwaad naar erger : “De toestand van de massa’s verslechtert, zonder dat dit een element is in het overwinnen van de crisis.” Het is een droombeeld te denken dat de bourgeoisie de crisis anders kan oplossen dan ten koste van het proletariaat, daarbij inbegrepen twee-derde of drie-kwart van de mensheid die al van enige rationele uitbuiting is uitgesloten.

In deze nieuwe uitgave is de spelling aangepast aan de nieuwe regels en zijn enkele typografische aanpassingen gemaakt (zo werd onderstreept cursief), verder is er aan deze historische tekst niets veranderd.




DE BEWEGINGSWETTEN VAN HET KAPITALISTISCH BEDRIJFSLEVEN


VOORWOORD


De huidige toestand van het kapitalisme maakt het meer dan noodzakelijk, dat we ons nauwkeurig rekenschap geven van de beweging van he kapitalistisch bedrijfsleven. De sociaal-democratie en de vakbeweging richten zich geheel op een herstel van het kapitalisme, om de verlaging van het levenspeil in een nieuwe bloeiperiode weer te niet te doen. De linkse arbeidersbeweging rekent niet meer met een herstel, maar spreekt van de ‘blijvende crisis’, de dalende lijn van het kapitalisme, de doodscrisis, de ondergang van het kapitalisme als productiesysteem. Van een theoretische fundering van de inzichten is echter bij geen van deze opvattingen sprake, wat tot de grootste verwarring kan en zal leiden.

In de volgende bladzijden willen we nu enige algemene bewegingswetten van het kapitalistische bedrijfsleven het geven, om aan de hand daarvan de verschillende problemen zo al niet op te lossen, dan toch in ieder geval te benaderen. We moeten ons daarbij tot het meest wezenlijke beperken met ’t oog op onze gebrekkige wijze van publicatie en ook al, omdat we niet over uitgebreide detail-kennis beschikken, die uit de aard der zaak in het bijzonder het monopolie van de vakman is. Maar de stuntelige beschouwingen, die op economisch gebied door de vaklui ten beste worden gegeven, omdat ze de algemene bewegingswetten van het kapitalisme niet kunnen of willen begrijpen, geeft ons het vertrouwen dat we de arbeiders een werktuig in de hand kunnen drukken, om de maatschappelijke beweging van het bedrijfsleven te begrijpen. Tenslotte zij nog opgemerkt, dat we bij ons onderzoek veel nut hebben gehad van het werk van Henryk Grossmann : ‘Das Akkumulations- und Zusammenbruchsgesetz des kapitalististischen Systems’ zonder ons nochtans met dit werk te vereenzelvigen.

1 oktober 1932

G.I.C. Holland.


I. DE ‘STRIJD OM HET BESTAAN’ VAN DE KAPITALEN


a. De strijd om de maatschappelijk gemiddelde winst


Het privaatbezit aan productiemiddelen was sinds de ontwikkeling van de industriele productie na 1800 de grootste omwentelende kracht, die we in de geschiedenis van de mensheid kennen. De jacht naar de winst ter verrijking van de bezitters van de kapitalen was de grote tovenaar, die in een goede 100 jaar het uiterlijk van hele werelddelen veranderde, die de natuurkrachten steeds verder onderwierp, om ze op winstvorming te richten. Ze strooide een ongekende goederenrijkdom over de aarde, waarbij ze alle ‘onbeschaafde’ volkeren in haar werkingssfeer trok en waardoor ze een ongekende groei van het mensenras mogelijk maakte. (De bevolking van Europa bedroeg in 1800 naar schatting 187 miljoen, in 1910 was het 447 miljoen en in 1915 steeg het tot 462 miljoen. Zulk een snelle stijging was alleen mogelijk door de snelle ontwikkeling van de productiekrachten. Maar met de verandering van de productie veranderde de jacht naar de winst meteen de onderlinge verhoudingen van de mensen.

Ze smeedde ze allen in het productieproces aaneen. De specialisatie vermaatschappelijkte de arbeid, zodat ieder niet voor zichzelf werkt, maar voor de maatschappij : ieder vervaardigt, wat hij zelf niet verbruikt en hij verbruikt juist, wat door hemzelf niet gemaakt wordt. En tenslotte onderwierp ze behalve de natuurkrachten, tevens de miljoenenmassa’s, die de winsten moeten voortbrengen. Het privaatbezit aan productiemiddelen schiep een leger van loonslaven waarbij alle vroegere ‘bar- baarse’ slavernij slechts kinderspel is. “De bourgeoisie heeft heel andere wonderwerken voltooid dan Egyptische piramides, Romeinse waterleidingen en Gotische kathedralen, zij heeft nog heel andere tochten volbracht dan volksverhuizingen en kruistochten.” (Het communistisch manifest).

De jacht naar de winst was de grote motor van de ontwikkeling. Maar niet de jacht naar de winst zonder meer. De kapitalisten voeren ieder op zich, of verenigd in groepen, de onderlinge strijd, om een zo groot mogelijk deel van de winsten, die de arbeidersbevolking kan voortbrengen, te bemachtigen. De jacht naar de winst is tevens een strijd om de winst en dus strijden de verschillende kapitalen tegen elkaar, waarbij het ene kapitaal het andere probeert te verslaan. De strijd om de winst is tevens ‘de strijd om het bestaan’ van de kapitalen.

Daarbij sloten verschillende kapitalen zich tot machtige concerns en monopolies aaneen, zodat de strijd op verbrede grondslag wordt gevoerd. De economische catastrofes, die door de strijd te voorschijn geroepen worden, ontwrichten het maatschappelijk leven steeds dieper.

Om de ongekende snelheid van de maatschappelijke ontwikkeling te begrijpen, is het nodig altijd weer uit te gaan van de grondslag van het kapitalisme, namelijk dat de rentabiliteit van het kapitaal begin en eindpunt van het bedrijfsleven is. De rentabiliteit is de aanhoudende zorg van iedere ondernemer, want hij moet altijd zorgen, dat de winst ‘op peil’ blijft. Het is nu maar de vraag, hoe hoog dit peil is. Daaromtrent dient dan opgemerkt te worden, dat dit peil gevormd wordt door de winst, die gemiddeld door de verschillende ondernemers wordt behaald. Het is de maatschappelijk gemiddelde winst. Sommige ondernemers komen boven dit gemiddelde uit, andere blijven er onder. De ondernemingen, die minder dan de gemiddelde winst halen, staan er betrekkelijk zwak voor, omdat een betrekkelijk kleine tegenspoed ze naar het bankroet kan voeren, waarmee dan het hele bedrijfskapitaal verloren is.

Daarom is het een levensvoorwaarde van de afzonderlijke kapitalen, om tenminste aan de gemiddelde winst te komen. En de zeer voordelige bedrijven, die boven het gemiddelde uitkomen, moeten er naar streven, deze positie te behouden. Het is van belang, hierbij op te merken, dat de drang van de ondernemers, om minstens aan de gemiddelde winst te komen, dus niet veroorzaakt wordt door de hebzucht van de kapitalisten, dus niet, doordat ze nooit van winsten verzadigd zijn. De kwestie is, dat een kapitaal met 3% winst, terwijl de gemiddelde winst in het bedrijfsleven 8% bedraagt, voortdurend door volkomen vernietiging bedreigd wordt. Als deze kleine winstmarge ook verdwenen is dan is de waarde van het kapitaal op 0 gedaald, afgezien van de oudroest-waarde van de productiemiddelen.

De eigenaardigheid van de kapitalistische productie, dat ieder bedrijfskapitaal er op gericht moet zijn, om in ieder geval de maatschappelijke winst te halen, voert tot voortdurende wijzigingen in de productie. Het is een eindeloze jacht, een wedstrijd die nooit beëindigd kan worden. Want altijd zal het ene kapitaal beter renderen dan het andere. Altijd is er dus een gemiddelde winstvoet en altijd moet de strijd, om niet bij dat gemiddelde achter te blijven, voortgaan.

We kunnen het vraagstuk van de gemiddelde winst echter ook nog uit een andere gezichtshoek zien, namelijk vanuit de productiviteit van de bedrijven. Wanneer we bijvoorbeeld met twee gelijksoortige bedrijven te doen hebben, bijvoorbeeld twee textielfabrieken, dan ligt het voor de hand, dat het goedkoopst werkende bedrijf, het bedrijf met de laagste productiekosten, de meeste winst zal kunnen behalen. We kunnen ook zeggen, dat het productiefste bedrijf de meeste winst zal maken. ’t Productiefste bedrijf wil hier dus niet zeggen, dat het ’t meeste product op de markt gooit, maar het betekent, dat de productiekosten het laagst zijn. Vergelijkt men nu de productiekosten van de bedrijven, dan zijn ze bij de ene wat hoger en bij het andere wat lager, zodat ze zich om een gemiddelde bewegen. Of anders gezegd : de productiviteit van de bedrijven beweegt zich om de maatschappelijk gemiddelde productiviteit.

Zo gezien, betekent de jacht naar de gemiddelde winst dus niet anders dan de algemene jacht naar de gemiddelde productiviteit. De eigenaardigheid, dat ieder bedrijf er op gericht moet zijn, de maatschappelijk gemiddelde winst te halen, kan dus ook zo geformuleerd worden : ieder bedrijf moet er op gericht zijn, de maatschappelijk gemiddelde productiviteit te halen.


b. De jacht naar de gemiddelde productiviteit


De belangrijkste factor, die de productiviteit van de arbeid doet stijgen, is het aanschaffen van nieuwe, productiever machines. Want een machine is een werktuig, dat menselijke arbeidskracht bespaart. Met de nieuwe machine kan de arbeider meer grondstoffen verwerken, zodat de productie per arbeider stijgt. Weliswaar stijgen ook de onkosten voor machines en grondstoffen, maar de verkregen hoeveelheid product, de massa product, stijgt nog meer, zodat de onkosten per stuk dalen. De betere technische uitrusting doet dus de massa van het product stijgen en de productiekosten per stuk dalen. De vermeerdering van de massa dwingt de ondernemers natuurlijk meteen, hun afzetgebied te vergroten.

Zo voert het gevecht om de winst over de weg van de wedloop van de productiviteit van de bedrijven naar de strijd om de afzetgebieden. En net zo min als de jacht naar de gemiddelde winst geboren wordt uit de hebzucht van de kapitalisten, net zo min vindt de strijd om de afzetgebieden, die zijn hoogtepunt in de imperialistische oorlogen vindt, hier zijn wortels. Het is niet de slechtheid of hebzucht van de kapitalisten, die de ontzaglijke bloedbaden onder de mensen aanricht, maar het zijn de bewegingswetten van het kapitalisisme als productiesysteem. Het is de werkelijke levensvoorwaarde van het privaatbezit aan productiemiddelen, de levensvoorwaarde van de ‘strijd van de kapitalen’, die dit noodzakelijk met zich meebrengen. Zolang deze strijd met de ‘vreedzame’ middelen van de economische oorlog mogelijk is, zolang voeren de nationale kapitalismes een ‘vredelievende’ politiek. Maar laten de tegenstellingen om de afzetgebieden zich niet meer langs deze weg oplossen, dan gaat de economische oorlog in een militaire over. En dit niet, omdat de kapitalisten zo bloeddorstig zijn, maar omdat werkelijk het bestaan van de ‘natie’ bedreigd is.

Hier dient in het bijzonder in het oog gehouden te worden, dat de voortdurende strijd om de verlaging van de kostprijs van de producten feitelijk een andere uitdrukking is voor de ‘uitbreiding van de productie’. De ondernemers breiden de productie niet uit, omdat ze door de waanzin van de uitbreiding bevangen zijn, maar omdat het een begeleidend verschijnsel van de verlaging van de kostprijs is. ’t Doel van de ondernemers is, de kostprijs van hun producten te verlagen en als gevolg krijgen ze de ‘uitbreiding van de productie’. Deze vindt dus haar uitgangspunt in de jacht naar de gemiddelde productiviteit en daarom is deze ‘uitbreiding’ een levensvoorwaarde voor het kapitalisme, de levensvoorwaarde, om aan de gemiddelde winst te komen. Voert de ondernemer de verbeterde techniek niet door, dan zit hij al heel gauw beneden de gemiddelde productiviteit, en dan is weldra het hele aandelenkapitaal naar de maan. Hij moet de productie uitbreiden, omdat dit de belangrijkste factor in de verlaging van de kostprijs is. De ‘uitbreiding van de productie’ is dus de vorm, waarin de afzonderlijke kapitalen de strijd om het bestaan voeren. Hoe groter de vooruitgang van de techniek in een bepaalde periode is, des te heviger moet ook de algemene jacht naar haar toepassing zijn, des te sneller verloopt de ‘uitbreiding van de productie’.

De uitbreiding van de productie ontstaat dus geenszins uit de ‘vrije wil’ van de ondernemers. En ook het tempo van de uitbreiding hebben ze niet in de hand. Zo goed als het vergroten van het werkzame kapitaal onder het private kapitalisme uit de eeuwige strijd om de verlaging van de productiekosten groeit, zo wordt ook het tempo van de uitbreiding bepaald door de snelheid, waarmee de productiekosten in de verschillende bedrijven dalen.

Hoewel dit mechanisme van de strijd om het bestaan van de kapitalen de grote omwentelende kracht in het maatschappelijk leven is, waardoor we van de ene verovering van de techniek naar de andere snellen, betekent dit mechanisme toch tegelijk een geweldige verkwisting van de menselijke arbeidskracht. Is bijvoorbeeld Ford tot een nieuwe productiemethode overgegaan, waardoor de productiviteit van zijn bedrijf stijgt, dan is daarmee de maatschappelijk gemiddelde productiviteit tevens gestegen. Dat wil zeggen : alle andere auto-kapitalen zijn in de productiviteit ten opzichte van Ford gedaald, waarmee hun rentabiliteit tevens vermindert. Het kapitaal in de auto-industrie is dan ten opzichte van Ford ‘verouderd’, waardoor de winsten van het auto-kapitaal verminderen, terwijl ze toch op volle kracht werkt. Het enige middel om de volle rentabiliteit te herstellen, is dan, de werkmethoden van Ford ook door te voeren, zodat nieuw kapitaal in de bedrijven gestoken moet worden, om het oude te bevruchten. De vooruitgang van de techniek maakt dus onder het kapitalisme, dat de machines heel dikwijls bij het oude ijzer gegooid moeten worden, hoewel ze technisch nog lang niet versleten zijn ; ze zijn ‘verouderd’. Deze ‘morele slijtage’ is des te groter, naarmate de techniek zich sneller ontwikkelt. Natuurlijk houdt iedere ondernemer rekening met deze ‘morele slijtage’, zodat steeds grote bedragen uit de winsten gereserveerd moeten worden als afschrijving op het machinepark. En juist omdat deze afschrijvingen veel groter moeten zijn, dan de werkelijke, technische slijtage is, is hier een ontzaglijke maatschappelijke verspilling. Het ‘Algemeen Handelsblad’ van 21 september 1931 schreef daaromtrent :

“De vaardige vijand van het kapitaal-behoud is de in onze tijd steeds toenemende stroom van de ontdekkingen en uitvindingen, van verbetering van methodes en procédé’s, welke op zichzelf genomen uiteindelijk natuurlijk ten voordele van de mensheid zal komen, maar die zich intussen veel destructiever in het economisch leven laat gevoelen, dan meestal wordt ingezien. Hoeveel goederen worden niet geproduceerd, […] die slechts te kort dienst kunnen doen ? Wat is de nuttige waarde van een […] machine, waarvoor een betere in de plaats gekomen is, van een fabriek, die op een verouderd procédé is ingericht ? We zien de voorbeelden dagelijks onder onze ogen en geven ons geen rekenschap van de hoeveelheid gedane arbeid, welke dientengevolge geen nuttig effect meer afwerpt en van de kapitaalvernietiging, welke dat betekent. In menig bedrijf is het haast ondoenlijk, de afschrijven op peil te houden.”


c. De maatschappelijke functie van de winsten


Het tempo van de ontwikkeling wordt echter niet alleen door de technische vooruitgang bepaald, maar tevens door de hoeveelheid winst, die de arbeiders voortbrengen. (Met winst bedoelen we hier dividenden, rente, grondrente). Deze winstmassa bedraagt jaarlijks natuurlijk een bepaalde som, een som, die waarschijnlijk het loon van alle loontrekkenden tezamen een paar maal overtreft. Het spreekt vanzelf, dat de kapitalisten deze behaalde winsten in de eerste plaats gebruiken, om er ‘naar hun stand’ van te leven. Maar ze gebruiken niet alle winst voor hun levensonderhoud. Een deel ervan steken ze als nieuw kapitaal in het bedrijfsleven, omdat dit op zijn beurt ook weer winst afwerpt. Er vloeit dus een geregelde goudstroom uit de bedrijven naar de bezitters, van deze bezitters een smallere stroom naar bank en beurs voor de financiering van het bedrijfsleven en als bredere goudstroom vloeit hij dan weer van de bedrijven naar de bezitters terug.

Voorzover de winsten weer dienen om het bedrijfsleven te bevruchten, verrichten ze dus een maatschappelijk noodzakelijke functie. De kapitalen, die de strijd om de gemiddelde productiviteit voeren, halen bij het ‘belegging zoekende publiek’ hun ammunitie. Daarom neemt de strijd om het bestaan van de kapitalen hier de vorm aan van een onderlinge strijd, om zoveel mogelijk van dit belegging zoekende kapitaal machtig te worden. Zolang de banken veel geld ter beschikking hebben, is het geld goedkoop, dat wil zeggen kredieten en leningen worden tegen een lage rente verstrekt. Maar wanneer het bedrijfsleven zich krachtiger gaat ontwikkelen, wordt de vraag naar kapitaal steeds groter, waardoor de rentevoet stijgt. Het stijgen van de rentevoet betekent, dat de beschikbare voorraad belegging zoekend kapitaal beperkt is en dat het gevecht van de ondernemers, om hun bedrijf te mogen verkapitaliseren in volle gang is.

Het is van groot belang, deze maatschappelijke functie van de winsten goed in het oog te vatten. Want daaruit blijkt, dat het tempo van de ontwikkeling in hoge mate afhankelijk is van de hoeveelheid kapitaal dat belegging zoekt. Hoe groter de beschikbare winstmassa is, des te stormachtiger is de ontwikkeling. Met andere woorden : onder het kapitalisme floreert het bedrijfsleven beter, naarmate de loontrekkende klassen minder verbruiken. Hoe minder de arbeidende klassen verbruiken, des te meer blijft er voor de bezittende klassen over om de ‘strijd om het bestaan’ van de kapitalen te kunnen voeren.


II. DE BEWEGING VAN DE LONEN


a. Het stijgen van het levenspeil


Natuurlijk ligt er iets geks in, dat het bedrijfsleven des te beter floreert, naarmate de arbeiders minder verbruiken. En onder de arbeiders is dan ook veel de mening verbreid, dat verhoging van de lonen, dus een groter verbruik door de arbeidende klasse, aan het bedrijfsleven ten goede komt. Want als de koopkracht van de loontrekkenden stijgt, stijgt tevens de werkgelegenheid, zodat het bedrijfsleven het meeste bij hoge lonen gebaat is. De fout van deze zienswijze ligt in het over het hoofd zien van de grondslag van de kapitalistische productiewijze : de rentabiliteit. Voor de kapitalisten behoren de arbeidslonen tot de ‘onkosten’, waarvan iedere stijging de winstbasis ondermijnt en daarmee de productie remt. Er is echter een opvallend verschijnsel, dat volkomen in tegenspraak schijnt met de zienswijze, dat het bedrijfsleven des te beter bloeit, naarmate de arbeiders minder verbruiken. En dat is de verheffing van het levenspeil van de arbeidende klassen gedurende de snelle vlucht van de industriële ontwikkeling. Het bedrijfsleven ontwikkelde zich na 1850 zeer krachtig, terwijl de arbeidende klassen meer dan vroeger verbruikten. Als men de toestand van vroeger, zoals deze voor Engeland beschreven werden door Friedrich Engels in zijn boekje : ‘De toestand van de arbeidersklasse in Engeland’ en voor Holland door Henriette Roland Holst-Van der Schalk in ‘Klassenverhoudingen in Nederland’, vergelijkt met de toestanden, zoals deze nog kort vóór de huidige crisis heersten, dan springt het grote verschil in levenspeil voor grote delen van het proletariaat terstond in het oog.

Als we dit verschijnsel hier nader onder het oog zien, dan vestigen we allereerst de aandacht op het verband tussen industriële ontwikkeling en verheffing van het levenspeil. Als de machinale productie zich in een land begint te ontwikkelen, slaat ze eerst de oude vormen van het handwerk kapot, waarmee ze grote ellende onder de handwerkers aanricht. Daarop volgt dan een consolidatie, die tot een verheffing van het levenspeil voert. Zo zien we deze verbetering het eerst optreden in Engeland. Dan begint de ontwikkeling van de Duitse industrie na 1860 met hetzelfde gevolg. Nederland volgt iets later. De grote ontwikkeling van Amerika valt pas omstreeks 1900, waar de arbeiders komen tot de welstand van ‘Ieder een Fordje’. Nu is dit laatste natuurlijk onzin, maar de zin in deze onzin is dan toch in ieder geval, dat de geschoolde arbeiders tot de ‘aristocratie van de arbeid’ worden. In 1928 begint de industrialisatie van Rusland, zodat we ook hier met een snelle verheffing van het levenspeil kunnen rekenen.

Het is niet moeilijk in te zien, dat de industrialisatie een volkomen verandering in de maatschappelijke verhoudingen te voorschijn roept, die tenslotte een verheffing van het levenspeil van de arbeidende klassen betekent. Dit proces is bij de snelle industrialisatie van Rusland duidelijk te zien. De ontwikkeling van de machinale productie doet een stroom van boeren naar de steden vloeien, waardoor een nijpend woninggebrek ontstaat. Wel wordt in koortsachtige haast bijgebouwd, maar de nieuwbouw kan de toevloeiende stroom niet verzwelgen. In zeer korte tijd nemen de steden in de industriegebieden enorm in omvang toe, waarmee tegelijk de verkeersproblemen, om de arbeiders snel van de ene uithoek van de stad naar de andere te kunnen werpen, de belangstelling vragen. Dan komen de hygienische eisen ter voorkoming van epidemieën, het aanbrengen van elektrisch licht, waterleiding, riolering enzovoort, allemaal voorzieningen, die een verheffing van het levenspeil van de arbeiders betekenen, maar die tenslotte voor het goed functioneren van de industrie noodzakelijk zijn. Zonder dit moderne ‘comfort’, waarin de arbeidende klassen delen, hebben de bezittende klassen niet voldoende beschikking over het ‘mensenmateriaal’. Alle processen in het leven van de arbeiders moeten zo snel mogelijk verlopen, omdat dit tegelijk de grootst mogelijke rentabiliteit van het kapitaal is. En daarom wordt een landloper zeer ‘comfortabel’ per trein naar Veenhuizen getransporteerd, waar een koning zich vroeger niet meer dan de luxe van een koets veroorloven kon !

Ook in geestelijk opzicht voert de industrialisatie tot een verheffing van het levenspeil. De industrie kan niet met analfabeten werken : lezen, schrijven, rekenen zijn hulpmiddelen voor de industrie. Vandaar dan ook, dat juist de industriële bourgeoisie de verbetering van het lager onderwijs ter hand
nam. Ook ambachtsscholen waren noodzakelijk, zodat verschillende fabrieken dergelijke scholen aan hun fabriek verbonden, om bruikbaar ‘mensenmateriaal’ te krijgen. Zeer zeker gebruikten de arbeiders hun meerdere kundigheden ook om de economische en politieke strijd te voeren. Maar dit hadden de industriëlen natuurlijk niet gewild, ze kregen dat er gratis bij. Toch verandert dit niets aan het feit, dat deze meerdere geestelijke ontwikkeling een van de bestaans- en ontwikkelingsvoorwaarden voor de industrie was.

Een derde belangrijke factor, die het levenspeil van de arbeidende klassen met ijzeren noodzakelijkheid omhoog dreef, was de intensivering van het arbeidstempo. De machine bepaalt het tempo van de arbeid. En voor verschillende industrieën bleek het, dat het tempo zo snel was, dat werkdagen van veertien uur nadelig voor het bedrijf waren. Het bleek, dat bij verkorting van de arbeidstijd meer geproduceerd kon worden. Zo ontstond naast een voortdurende versnelling van het arbeidstempo tegelijk een geleidelijke verkorting van de arbeidsdag. Maar dit was niet het enige gevolg. Het tempo van de machine verhaastte tevens het tempo, waarin de arbeidskracht iedere dag opnieuw wordt verbruikt en daarbij moest de ‘vrije tijd’ noodzakelijk benut worden, door in verstrooiing nieuwe krachten te verzamelen, om het tempo te kunnen volhouden. Zo ontstond het zeer omvangrijke, moderne amusementsbedrijf, dat naar buiten een verheffing van het levenspeil betekent, maar tenslotte uit het opvoeren van het arbeidstempo geboren werd.

Uit bovenstaande beschouwingswijze volgt, dat we de verheffing van het levenspeil van de arbeidende klassen niet zien als het gevolg van hun economische en politieke strijd, maar als resultaat van de productievoorwaarden van het kapitalisme zelf. Toch spreekt het vanzelf, dat zulke wereldbewegingen als de sociaal-democratie en de vakbeweging, die menen, dat de vooruitgang aan hun werkzaamheid is toe te schrijven, er niet voor niemendal waren en ze dus een wezenlijke taak in het maatschappelijk leven vervulden. De vak-actie en de politieke strijd fungeerden als ordenende en opdrijvende kracht, om de waardevermeerdering van de arbeidskracht voor grote groepen van arbeiders tegelijk te realiseren. Daardoor werd het proces, dat zich anders chaotisch als de natuurprocessen zou voltrekken, in vaste banen gebracht en verkreeg het een versneld tempo.


b. De marxistische loonwetten


We hebben hier de verbetering van het levenspeil van de arbeidende klassen uit de marxistische loonwetten verklaard, waar de beweging van de lonen uit de verandering van de waarde van de arbeidskracht wordt afgeleid. Wel is het een veel verbreide misvatting, dat de lonen zich volgens de marxistische loontheorie om het ‘minimumbestaan’ bewegen, maar dat is dan ook niet meer dan een misvatting, waaruit blijkt, dat men niet weet, naar welke economische wetmatigheden de lonen zich vormen. De waarde van de arbeidskracht is iets heel anders dan het bestaansminimum. Het bestaansminimum is niet meer dan een bepaalde hoeveelheid goederen, een bepaalde som, die voldoende is, om het lichamelijk bestaan voort te zetten, een bepaalde som, om het bestaan van het lichaam te verzekeren. We zouden het een fysisch begrip kunnen noemen. De waarde van de arbeidskracht is de som, die nodig is, om deze arbeidskracht te vormen en ‘in een tot de arbeid geschikt leven te houden’ (‘Loonarbeid en kapitaal’, p. 10). Het is dus een economisch begrip en omvat veel meer dan het naakte, lichamelijke bestaan. Zelfs de meest ongeschoolde arbeider, waaraan dus geen opleidingskosten verbonden zijn, om deze arbeidskracht te vormen, ligt in waarde boven het bestaansminimum, omdat het lichaam ook tot de arbeid geschikt moet blijven.’t Ligt voor de hand, dat de opwaartse beweging van het levenspeil in de bloeiperiode van het kapitalisme in strijd schijnt met de marxistische loonwetten, als men het ‘bestaansminimum’ met de waarde van de arbeidskracht verwisselt, of deze begrippen niet streng uit elkaar houdt. Houdt men echter in het oog, dat het zogenaamde ‘vermaak’. (Zondags naar buiten trekken, bioscoop) bij toenemende intensiteit van de arbeid een wezenlijk deel van het herstel van de arbeidskracht is, dan worden al deze elementen in het begrip waarde van de arbeidskracht opgenomen en verdwijnt de tegenstrijdigheid.

De waarde van de arbeidskracht is echter niet de enige factor, die de loonhoogte bepaalt. Van zeer wezenlijke betekenis is tevens de verhouding van vraag en aanbod van arbeidskrachten. Is er juist evenveel vraag als aanbod, dan zal de prijs van de arbeidskracht, dus het loon, overeenkomen met haar waarde. Maar deze toestand kwam in de praktijk nauwelijks of zeer voorbijgaand voor. Zoals het in de kapitalistische productie hollen of stilstaan is, zo weerspiegelt deze toestand zich ook op de arbeidsmarkt. Het bedrijfsleven trekt nu eens de arbeidskrachten naar zich toe en stoot ze dan weer af. En zodra het aanbod groter is dan de vraag, daalt tevens de prijs van de arbeidskracht : de lonen dalen. Ontwikkelt de bedrijvigheid zich, stijgt de vraag naar arbeidskrachten, dan stijgt tevens het loon. In sommige takken van bedrijf, waar tijdelijk een groot tekort aan arbeidskrachten ontstaan is, kunnen de lonen zodoende wel boven de waarde stijgen. (Zoals bekend heeft de arbeidersklasse in het na-oorlogse kapitalisme met permanente werkloosheid te kampen, waardoor het loon blijvend beneden de waarde komt te liggen. Het is nu echter nog niet de tijd, dit vraagstuk te behandelen. Bij de bespreking van de stagnatie van het kapitalisme als productiesysteem komen we daarop terug.)

De vakverenigingen proberen die schommelingen in de lonen zoveel mogelijk te beperken, door ze in collectieve contracten voor kortere of langere tijd te stabiliseren. Zoals de kapitalisten voor sommige van hun producten een monopolie doorvoerden, om daarmee de prijzen op de markt beter in de hand te hebben, zo trachten de vakverenigingen de koopwaar van de arbeiders, de arbeidskracht, te monopoliseren. Maar net zo min als de monopolies van de bezitters een waarborg voor het handhaven van hun prijzen is, net zo min is het dat voor de vakverenigingen. Bij het verlengen van de collectieve contracten zet zich daarom de grondleggende verhouding van de waarde van de arbeidskracht in verband met vraag en aanbod toch door.

Een typisch voorbeeld van de kracht, waarmee economische bewegingswetten zich doorzetten, wordt door de ontwikkeling van de arbeidslonen in Rusland geleverd, waarbij tevens blijkt, dat het van geen belang is, of de arbeidskracht door de staat of door de particuliere ondernemers wordt gekocht. Omtrent dit Russische loonpeil dient dan allereerst opgemerkt te worden, dat het algemene peil omhoog moet gaan, doordat de intensiteit van de arbeid in alle takken van bedrijf toeneemt. Daarmee stijgt de waarde van de arbeidskracht over de hele linie. Vervolgens dient in het oog gehouden te worden, dat daar nu pas de vorming van verschillende beroepen begint, doordat de industrialisatie een hele reeks nieuwe, vroeger onbekende beroepen doet ontstaan. Uit de homogene boerenmassa begint zich een leger van ongeschoolde industriearbeiders te ontwikkelen. Dienovereenkomstig moet nu ook de differentiatie van de lonen doorbreken, wat ook werkelijk het geval is. En deze tendens tot toenemend verschil in lonen wordt nog verscherpt door de grote behoefte aan ongeschoolde arbeidskracht : de vraag is veel groter dan het aanbod. De Russische lonen ontwikkelen zich daarmee geheel volgens de wetten van de kapitalistische warenproductie.

Volgens deze wetten moet het levenspeil van de Russische massa’s stijgen ; niet omdat het kommunisme opgebouwd wordt, maar omdat de arbeidskracht als ‘waar’ op de markt verschijnt in een zich pas industrialiserend land. De arbeiders van de oud-kapitalistische landen zullen door deze ontwikkeling van de lonen heel gemakkelijk op een dwaalspoor raken, doordat ze deze verheffing van het levenspeil maar al te lichtvaardig als de resultaten van ‘kommunistische opbouw’ zullen zien !

In de oud-kapitalistische landen leiden dezelfde loonwetten tot het tegenovergestelde gevolg. Hier hebben we ettelijke geslachten beroepsarbeiders, die echter hun beroepskennis langzamerhand overbodig zagen worden door de steeds verder voortgaande mechanisatie en specialisatie. Het huidige geslacht heeft dan ook geen alzijdige, grondige vakkennis meer, wat ook niet nodig is. De geschoolde arbeid is nu tenslotte niet meer dan een klein onderdeeltje van het vroegere beroep, waarvoor de ‘opleidingskosten’ genivelleerd zijn. Dit proces openbaart zich in een nivellering van de lonen ; de verschillen in loon tussen de vele categorieën arbeiders worden geringer ; het verschil in loon tussen de geschoolde, half-geschoolde en ongeschoolde arbeid verliest aan diepte. De economische strijd van de arbeiders, die in het bijzonder door de geschoolden gevoerd wordt (vakstrijd) heeft dit nivelleringsproces niet kunnen verhinderen. Ook hier zetten de economische wetmatigheden zich met elementaire onweerstaanbaarheid door.


c. Aan de bovenste grens van het arbeidstempo


De ontwikkeling van de kapitalistische warenproductie heeft dus ten opzichte van de waarde van de arbeidskracht verschillende, elkaar doorkruisende werkingen ; sommige verlagen haar waarde, andere doen haar stijgen. Het voortschrijden van de massaproductie om de productiekosten te verlagen, verlaagt tevens de waarde van de arbeidskracht, omdat de voor het levensonderhoud benodigde goederen in steeds korter tijd gemaakt worden. De specialisatie nivelleert de opleidingskosten en doet de loongrenzen geleidelijk ineenvloeien : een verlaging van de geschoolde arbeidskracht. Maar deze dalende tendensen werden in de opstijgende periode van het kapitalisme overschaduwd door de stijgende werking van de arbeidsintensiteit. In de laatste jaren is echter gebleken, dat in ieder geval voor grote delen van de industriële productie de toename van de intensiteit haar toppunt heeft bereikt, omdat ze stoot aan de grenzen van het menselijk uithoudingsvermogen. Dat het huidige tempo bij een twaalf- tot veertien-urige arbeidsdag, zoals het jonge kapitalisme deze kende, niet is vol te houden, weet ieder, die onder de tegenwoordige arbeidsmethoden gewerkt heeft. Maar het is reeds gebleken, dat zelfs een acht-urendag de grenzen van ons kunnen bij het huidige tempo overschrijdt. Dat is daaraan te zien, dat de moderne industrie geen arbeiders boven de 40 jaar gebruiken kan en deze ‘40-jarige grijsaards’ dus uit het productieproces slingert.

Voor het kapitalisme als productiesysteem is deze toestand even funest als voor de arbeidende klassen. Want het betekent, dat het in een crisis steeds moeilijker wordt, een nieuwe winstbasis voor het kapitaal te vinden. ’t Is een tendens, die de duur van een crisis verlengt en de bloeiperiode verkort. Voor de arbeidende klassen betekent het, dat er aan de verheffing van het levenspeil uit hoofde van de toename van de arbeidsintensiteit in ’t algemeen een einde is gekomen en de waarde van de arbeidskracht zich voortaan alleen in dalende richting moet bewegen. ‘Op zichzelf beschouwd’ behoeft dit nog niet tot een verlaging van het levenspeil te voeren, maar wil het alleen zeggen, dat verdere stijging uitgesloten is. Inderdaad ontstaat echter een geweldige daling van het levenspeil, echter uit heel andere oorzaken, die hier nog niet aan de orde zijn. Het gaat er hier alleen om, de beweging van de lonen af te leiden uit de beweging van de waarde van de arbeidskracht.

Ook voor de oude arbeidersbeweging, die op een steeds verdere geleidelijk voortschrijdende verbetering van het levenspeil gericht is, is deze toestand noodlottig. Nu de dalende tendensen in de waarde van de arbeidskracht de overhand krijgen, is aan een verdere stijging van het levenspeil niet te denken. En dat niet, omdat de vakverenigingen ‘te zwak’ zijn, niet, omdat de vakverenigingen niet revolutionair genoeg optreden, maar omdat de bewegingswetten van de warenproductie zich niet laten doorbreken ook niet voor de arbeidskracht. De trusts en monopolies kunnen ze tijdelijk doorbreken en monopoliewinsten maken doordat zen een ‘waar’ tijdelijk weten te beheersen. Zo zouden de vakverenigingen de prijs van de arbeidskracht tijdelijk boven de waarde kunnen doen stijgen, als ze in staat waren, er een monopolie voor door te voeren. Ieder weet echter, dat alleen al het bestaan van een werklozenleger dit monopolie verhindert.

Daarmee is de oude arbeidersbeweging van haar voedingsbodem losgeraakt en kan ze alleen nog teren op vroegere tradities, welke echter niet meer door de praktijk van het leven worden gevoed. Daarmee is haar doodsvonnis getekend... al wordt het vonnis dan ook niet direct voltrokken !


III. DE BEWEGING VAN HET BEDRIJFSLEVEN


a. Het raadsel


Nadat we de algemene drijvende kracht van de beweging van de kapitalen in de jacht naar de gemiddelde productiviteit gezien hebben, moeten we nu onze aandacht aan de beweging van het bedrijfsleven geven. Zoals bekend vertoont het in z’n ontwikkeling geen rechte lijn, maar treedt er telkens na een periode van bloei een crisis in. Een goed deel van het bedrijfsleven komt tot stilstand, de arbeiders komen bij miljoenen zonder werk en het hele staatsapparaat raakt in moeilijkheden, doordat dit tenslotte uit het bedrijfsleven wordt gevoed. Het is een eigenaardig verschijnsel, dat met de snelheid van een onweer opkomt en ongeveer een klein jaar tot twee jaar duurde. Eigenaardig is het in tweeërlei opzicht : eerstens door de plotselinge verschijning (twee dagen vóór de ineenstorting van de beurzen verklaarde de voorzitter van de New Yorkse beurs in 1929, dat er voorlopig van geen crisis sprake kon zijn !) en ten tweede, doordat de zaken ogenschijnlijk beter gaan dan ooit. De bedrijven werken nog op volle kracht en een week later stoten ze duizenden werklieden de straat op.

De ontwikkeling van het bedrijfsleven gaat dus niet gelijkmatig, maar voltrekt zich schoksgewijs, waarbij bovendien valt op te merken, dat de schokken elkaar in de loop der jaren sneller opvolgden. Bij ’t begin van de industriële ontwikkeling na 1800, traden de crises om de elf jaar op, welke periode steeds korter werd, zodat ze nu om de zeven jaar verschijnen. Feitelijk is de toestand nu dus zo geworden, dat het bedrijfsleven van de ene crisis in de andere tuimelt. Nauwelijks is de depressie overwonnen en zijn de bedrijven goed en wel op gang, of een nieuwe crisis ontwricht weer het hele maatschappelijke leven.

Ook met de verklaring van de crises is het een eigenaardig geval. Hele bibliotheken zijn er over vol geschreven ; het aantal crisis-theorieën is legio en voor iedere nieuwe crisis vindt men er weer een nieuwe verklaring bij. En deze verwarring geldt niet alleen voor de bourgeoisie, maar evenzeer voor de arbeidersklasse : aan geen van de beide fronten van kapitaal en arbeid kan men op een gemeenschappelijke opvatting inzake het ontstaan van de crises wijzen ! Maar ondanks dat is toch wel voor ieder van de beide fronten een hoofdstroming aan te geven, waaromheen de verschillende opvattingen zich bewegen.


b. De crisis-klaring van de bourgeoisie


Volgens de bezittende klassen zijn de crises geen noodzakelijk begeleidingsverschijnsel van de kapitalistische productie, maar vinden ze hun oorzaak enerzijds in verschillende onvolmaaktheden van het systeem, die gaandeweg verbeterd moeten worden (bijvoorbeeld controle op het emissie-wezen) en anderzijds in de wispelturigheid van de menselijke natuur, waarop nu eenmaal geen peil te trekken is. De kapitalistische klassen komen zodoende tot een ‘psychologische’ verklaring van de crises, die op het volgende neerkomt : In de crisis is de hele wereld met wanhoop geslagen en men zit in zak en as. Maar dat kan toch niet eeuwig duren. En zo ontstaat er dus na een tijd van malaise het vertrouwen, dat de bedrijvigheid zich weer zal gaan ontwikkelen, waardoor de leiders van de productie weer wat durven te ondernemen. Ze brengen de productie weer op gang, welk goede voorbeeld door andere ondernemers gevolgd wordt. Zo ontstaat een zekere massa-psychose, waarbij ieder in hoopvol vertrouwen zelf een schakel in de uitbouw van de productie wordt, waardoor een nieuwe hoog-conjunctuur ontstaat. Maar ongelukkigerwijze kunnen de psychose van de hoop en het vertrouwen niet steeds aanhouden en daardoor groeit gaandeweg de angst, dat het wel weer eens mis kon gaan. Dit dempt de ondernemingslust, men onderneemt niets nieuws, maar wacht de gang van zaken af, wat echter tot gevolg heeft, dat in alle takken van bedrijf een stagnatie intreedt. Dit is voldoende motief, dat een algemene angst voor de crisis zich van de leiders van het bedrijfsleven meester maakt, zodat zo spoedig mogelijk de aanwezige voorraden van de hand gedaan worden : de crisis is dan weer bereikt ! Het ‘Handelsblad’ van 26 oktober 1929 beschreef het ontstaan van de huidige crisis als volgt :

“In het kort was het verloop aldus : nadat het bedrijfsleven de ergste gevolgen van de na-oorlogscrisis te boven was, werd een modernisering en rationalisering van de productie op grote schaal aangevat, om langs deze weg tot economisch herstel te geraken ; het vertrouwen keerde terug, het lange tijd werkeloos gebleven kapitaal werd in ruime mate ter beschikking gesteld, de productie breidde zich uit, de werkloosheid verminderde […].Doch allengs werden de beschikbare kapitalen geringer. Om van de nog bestaande hausse-stemming op de beurs te profiteren, werden in Amerika nog haastig enorme kapitaal-uitbreidingen doorgevoerd. De kredietschaarste werd acuut en allengs begon het vertrouwen in de beurs-positie te verzwakken en zo ontwikkelde zich een ernstige crisis” (Vet van ons, PIC).


c. De crisisverklaring van de arbeidende klassen


Als men een beschouwing over de oorzaken van crises in de arbeiderspers leest, dan valt het direct op, dat hier veel minder met productiecijfers enz. gewerkt wordt dan in de kapitalistenpers het geval is. Hier openbaart zich al een verschil in opvatting omtrent het ontstaan van crises. De bourgeoisie heeft alleen een psychologische en geen economische verklaring van het vraagstuk, zodat ze aan de oppervlakkige verschijnselen van de dag, aan productiecijfers, goudbeweging enz. wil laten zien, waardoor het vertrouwen gewekt werd en waardoor de angstpsychose ontstond. De arbeidende klassen hebben echter wel een algemene economische theorie, waarmee ze de crises menen te kunnen verklaren, zonder van dergelijk uitgebreid cijfermateriaal gebruik te hoeven maken : ze leiden de crises af uit het wezen, de innerlijke bewegingswetten, van de kapitalistische productie.

Toch maken de arbeidende klassen het zich wel een beetje al te gemakkelijk, door de overproductie tot het zwaartepunt van hun crisis-beschouwing te maken. Nu is dat inderdaad heel verleidelijk, omdat het zo aantrekkelijk eenvoudig is. Want nietwaar, de ondernemers breiden in de jacht naar de winst hun productie voortdurend uit, om een zo groot mogelijk deel van de markt te bestrijken. Tenslotte is de productiecapaciteit dan zo enorm gegroeid, dat de fabrieken veel meer hebben geproduceerd dan de markt kan opnemen. De maatschappij stikt als het ware in de overvloed van product en de crisis treedt door gebrek aan afzetgebied in. En zelfs het verkorten van de produktieperiode van elf op zeven jaar vindt een aannemelijke verklaring, als men in het oog vat, dat de machines in korte tijd zulke massa’s product kunnen voortbrengen, dat de overproductie nu sneller bereikt wordt, dan vroeger het geval was.

Deze opvatting vinden we veelal uiteengezet in een betoog, dat schijnbaar op de marxistische waarde- en meerwaardetheorie berust, maar dat er bij nader onderzoek toch niet zo heel veel mee te maken heeft. Daarbij gaat men dan uit van het onbetwistbare feit, dat het kapitalistische bedrijfsleven op uitbuiting van de arbeidende klassen berust. De arbeiders krijgen slechts een deel van de opbrengst van de maatschappelijke productie, terwijl de bezittende klassen in al haar schakeringen de rest krijgen. Deze verbruiken het ten dele voor eigen levensonderhoud, ten dele steken ze het opnieuw in de productie. De productie groeit daarbij aldoor meer en het noodlottige is, dat de productie sneller groeit dan het verbruik zodat te eniger tijd een overproductie moet ontstaan. Als voorbeeld van deze crisisbeschouwing vestigen we de aandacht op een artikel van de bekende Franse econoom Louzon in ‘Klassenstrijd’ no. 12, jaargang 1929, omdat deze zienswijze hier zo duidelijk is geformuleerd.

“Gedurende vrij lange tijd’ – zegt Louzon – ‘zal de disharmonie tussen de groei van de productie en die van het verbruik kunnen voortgaan, zonder dat de overproductie zal verschijnen’, doordat in de bloeiperiode zeer veel arbeiders bezig zijn met het bouwen van nieuwe fabrieken. ‘Maar als het moment komt dat de nieuwe fabrieken, die voor het verbruik produceren, gereed zijn […] komt men plotseling tot de ontdekking, dat degenen, die ze zouden kunnen kopen, de kapitalisten, ze niet nodig hebben, omdat zelfs Rockefeller er geen twee magen op na houdt en degenen, die de artikelen zouden nodig hebben, de loontrekkenden, ze niet kunnen kopen, omdat hun salaris het niet toelaat. Dan is de overproductie de crisis, bereikt.

‘De productie groeit sneller dan het verbruik’. Louzon constateert dus, dat er feitelijk altijd een disharmonie, een wanverhouding, tussen productie en verbruik ontstaat, die echter pas op een bepaald punt zo groot wordt, dat ze zich in een overproductie openbaart. De productie stijgt sneller dan de consumptie, doordat de arbeidende klassen worden uitgebuit.

Hoe eenvoudig en aannemelijk deze verklaring ook lijkt, toch menen we voldoende gronden te kunnen aanvoeren, om te doen zien, dat er toch iets niet in de haak wezen moet. Zo zou bijvoorbeeld de crisis niet zo spoedig uitbreken, als de uitbuiting van de arbeidende klassen geringer is, omdat de productie dan niet zo veel sneller zou groeien dan het verbruik. Of de crisis zou verder worden verschoven, als de kapitalisten meer geld zouden verbrassen en minder als nieuw kapitaal in de productie beleggen : ook dan zou de productie langzamer toenemen en het verbruik sneller. Ook loonsverhogingen zouden de werking hebben, dat de crisis minder spoedig tot stand komt. En ook zou de crisis, als deze er eenmaal is, het snelste overwonnen worden, als de lonen werden verhoogd, of de arbeidstijd werd verkort (Natuurlijk met behoud van hetzelfde loon). Inderdaad worden dergelijke oplossingen tot opheffing van de crisis aan de hand gedaan. In het bijzonder de vakbeweging is er sterk in. En verleden jaar kreeg deze een ongedachte steun van de petroleumkoning Sir Henri Deterding, die er op aandrong, maatregelen te nemen, dat de lonen in de verschillende landen stijgen, waardoor de vraag naar verschillende artikelen weer zal toenemen en de werkloosheid geleidelijk zal verminderen (Zie ‘Handelsblad’ 19 september 1931).

Maar de bourgeoisie als klasse is verstandiger. Al heeft ze geen economische theorie van de crises, ze weet uit de praktijk toch heel goed, hoe ze tot nu toe de crises te boven kwam : door verscherping van de uitbuiting, verlaging van de lonen, verlenging van de arbeidsdag ! De overproductie wordt overwonnen door de arbeidende klassen minder te laten verbruiken ! Dit feit alleen wijst er reeds op, dat er met die eenvoudige, aannemelijke verklaring iets niet in orde moet zijn.


d. De marxistische crisisverklaring


De marxistische waarde- en meerwaardetheorie verklaart de crises niet uit een ongelijkmatige groei van productie en verbruik, niet uit een ‘overproductie’, maar uit de daling van de rentabiliteit van het in de productie belegde kapitaal, welke zich in iedere productiecyclus opnieuw voltrekt. Ook bij de huidige crisis trad deze daling van de rentabiliteit duidelijk op de voorgrond. Ondanks een ongekende bloei van het bedrijfsleven in Amerika waren de uitgekeerde dividenden van de industriële bedrijven in het laatste jaar van de bloei heel laag. De leidende industrieën (spoorwegen, allerlei industriële ondernemingen, openbare nutsbedrijven en petroleumindustrie) keerden gemiddeld slechts 4,9% uit. Rekent men de spoorwegen er af, dan was het gemiddelde dividend slechts 4,37%. En dat terwijl de bedrijven volop werkten ! (‘Handelsblad’, 9 november 1929). Ter voorkoming van misverstand dienen we in het oog te houden, dat deze afname van de rentabiliteit in het bijzonder geldt voor het industriële kapitaal. Voor het bankkapitaal geldt een toename van de rentabiliteit, welke echter gaat ten koste van de industriële kapitalisten. Aangezien de productie echter de bestaansbodem van het kapitalistisch bedrijfsleven is, beslist tenslotte de daling van de rentabiliteit van het industriekapitaal tevens over het lot van het bankkapitaal.

Het dalen van de rentabiliteit gedurende de bloeiperiode is een verschijnsel, waar door de burgerlijke schrijvers reeds herhaaldelijk de aandacht op gevestigd is. W.C. Mitchell toont het in z’n ‘Business cycles’ aan voor Amerika, Stamp laat het zien voor Engeland bij zijn onderzoek van de crises tussen 1880 en 1914, J. Lescure onderzocht de crises in Frankrijk tussen 1870 en 1919 en constateert : “het streven naar winst vormt de drijfkracht van het hele organisme […] Het voorafgaan van het teruglopen van de winst schijnt ons overtuigend bewezen te zijn” (Zie H. Grossmann, p. 124).

Nu hoeft het dalen van de winst op zichzelf nog niet tot een crisis te leiden. De kapitalisten zouden zeker liever doorwerken bij een matige winst van 4%, dan een groot deel van hun kapitaal in een crisis verloren te zien gaan. We zullen daarom bij onze verdere beschouwingen zien, waardoor ook het werken bij zulk een matige winst onmogelijk wordt, we zullen zien, hoe deze daling van de winst tenslotte het bedrijfsleven ineen doet storten. Het is nu echter voldoende vast te stellen, dat de grondslag van het bedrijfsleven, de winst, ondergraven wordt gedurende de productie. We moeten er echter met de meeste nadruk op wijzen, dat dit niet betekent, dat de hoeveelheid winst afneemt. In de regel zal dat niet het geval zijn. Want het ligt voor de hand, dat met het toenemen van de bedrijvigheid vele fabrieken weer op volle capaciteit komen te werken. Ook het nieuw-toegevoerde kapitaal, dat zich zeker van de nieuwste technische hulpmiddelen voorziet, werpt nieuwe winsten af. De kapitalistische winstmolen begint dus niet langzamer te draaien, maar juist sneller. De praktijk toont dan ook, dat de hoeveelheid winst van jaar tot jaar toeneemt. Dit blijkt het beste uit de sommen, die ieder jaar door bemiddeling van de beurs en de banken opnieuw in het bedrijfsleven gestoken worden. Als illustratie nemen we de kapitaalsuitbreidingen, die in Amerika werden doorgevoerd (Buitenlandse uitgiften zijn hierin niet opgenomen).

In 1927 nieuw opgenomen ... 6189 miljoen dollar
In 1928 nieuw opgenomen ... 6600 miljoen dollar
In 1929 (alleen de eerste negen maanden) ... 8062 miljoen dollar

In deze getallen zitten verschillende ‘onreinheden’, die ons echter niet hinderen, omdat we alleen willen aangeven, dat ieder jaar meer kapitaal op de markt gegooid wordt, om belegging te zoeken. Als zodanig zijn ze heel goed bruikbaar. Ieder jaar wordt meer kapitaal beschikbaar gesteld, wat alleen mogelijk is als ieder jaar meer winsten uit de arbeiders gehaald worden.

Uit deze stand van zaken blijkt duidelijk, dat we met het versmallen van de winstbasis, of met het dalen van de winst, niet bedoelen, dat de bezittende klassen minder winst krijgen. Integendeel : ’t aantal miljonairs zal toegenomen zijn, de statistiek van de inkomstenbelasting zal een vermeerdering van het inkomen van de kapitalisten te zien geven. Nog sterker : juist op het ogenblik, dat de arbeidende klassen nog nooit zóveel winsten voortbrachten, juist als de hoeveelheid winst tot haar maximum gestegen is, stort het bedrijfsleven in puin, doordat het van zijn winstbasis is losgeraakt. Het dalen van de winst wil alleen zeggen, dat de winsten in verhouding tot het werkzame kapitaal dalen, of met andere woorden het winstpercentage daalt. De winsten groeien wel van jaar tot jaar, maar het werkzame kapitaal groeit nog sneller.

Waardoor moet nu het economisch leven ineenstorten door een tekort aan winsten ? Gemeten naar de hoeveelheid zijn ze toch groter dan ooit tevoren ! En wat kan het de kapitalisten tenslotte schelen, of het winstpercentage daalt, als ze in harde guldens meer in handen krijgen ? Wat betekent tenslotte de daling van de rentabiliteit als de winst-massa toeneemt ?

Dit vraagstuk vindt zijn oplossing, als we de maatschappelijke functie van de winsten in het oog vatten. Want zoals we reeds zagen, dienen de winsten niet alleen tot het levensonderhoud van de kapitalisten, maar vervullen ze tevens de taak, de oude kapitalen opnieuw te bevruchten, of in ’t algemeen de productie uit te breiden. Of : het belegging zoekende kapitaal is de ammunitie, waarmee de individuele kapitalen de onderlinge strijd om het bestaan voeren. Het telkens opnieuw toevoeren van kapitaal is een levensvoorwaarde voor het bedrijfsleven (de jacht naar de maatschappelijk gemiddelde productiviteit) en ook het tempo, waarin dit nieuwe kapitaal belegd wordt, valt buiten de ‘vrije wil’ van de ondernemers. Om een geregelde voortzetting van het bedrijfsleven mogelijk te maken ; is het daarom in ieder geval noodzakelijk, dat er in de maatschappij voldoende winsten gemaakt worden, om deze beide functies te vervullen. Als de winsten te gering zijn, dan betekent dit alleen, dat ze niet toereikend zijn, om hun maatschappelijke taak tot verdere instandhouding van de kapitalistische productie te volbrengen.

Ziedaar de eigenaardige tegenstelling, dat ondanks het jaarlijks aangroeien van de winststroom, de hoeveelheid winst nochtans te klein wordt voor de voortzetting van het bedrijfsleven. De zaak is deze, dat er voortdurend meer kapitaal in het bedrijfsleven gestoken moet worden, om het oude te bevruchten. Als bijvoorbeeld een kapitaal van 100 miljoen met 10% uitgebreid moet worden, moeten de bezittende klassen daartoe 10 miljoen van haar winsten beschikbaar stellen. Maar een kapitaal van bijvoorbeeld 1.000 miljoen eist al 100 miljoen van haar winsten, om een dergelijke uitbreiding te voltrekken. Het ieder jaar toenemen van werkzaam kapitaal betekent daarom meteen, dat ieder jaar groter sommen voor uitbreiding beschikbaar moeten zijn.

In verband met de grotere financiële eisen, die het bedrijfsleven in de loop van een productie-periode gaat stellen, is het dalen van het winst-percentage, dat op zichzelf niets verontrustends heeft, hoogst bedenkelijk, ja noodlottig. Want het dalen van het winstpercentage betekent, dat de winsten ten opzichte van het functionerend kapitaal achterblijven. Het is de uitdrukking van het feit, dat het werkzame kapitaal sneller toeneemt dan de winsten. En omdat de kapitaal-uitbreidingen van de ondernemingen niet bepaald worden naar de in de totale maatschappij behaalde winsten, maar wel naar het reeds aangewende kapitaal, moet een steeds groter deel van de winsten voor uitbreiding beschikbaar zijn.

Aan deze inwendige tegenstelling, de steeds grotere behoefte aan kapitaal (dat is aan in de maatschappij reeds behaalde winsten) en ’t betrekkelijk dalen van de winst gaat het bedrijfsleven tenslotte kapot. Hoe groot de hoeveelheid winst ook geworden is, er is niet voldoende om de strijd der kapitalen voort te zetten. De winsten zijn onvoldoende geworden, om hun maatschappelijke taak verder te kunnen vervullen.

Naar onze opvatting ontstaat de crisis dus op heel andere wijze, dan gewoonlijk wordt aangenomen. Het is niet de ‘overproductie’, doordat de anarchie van de kapitalistische productie van alles te veel geproduceerd heeft, maar ze ontstaat, doordat het kapitaal sneller groeit dan de uitbuiting. De uitbuiting neemt wel toe, maar ze neemt niet snel genoeg toe. Bij onze verdere beschouwingen zullen we dan ook zien, dat de stagnatie in het bedrijfsleven optreedt, als er nog geen sprake is van een overproductie.


e. Het herstel


Als de eigenlijke oorzaak van de crisis is vastgesteld, dan is de genezing ook direct duidelijk. De oorzaak is, dat de arbeiders het telkens vergrote kapitaal niet voldoende kunnen doen renderen bij de geldende stand van de techniek, lonen en werktijden. Men zou kunnen zeggen, dat de arbeiders een te groot deel van het maatschappelijk product verbruiken. Dat is precies hetzelfde, alleen vanuit een andere gezichtshoek bekeken. De genezing is dus : herstel van de rentabiliteit. Dit kan op twee manieren gebeuren : ten eerste door verlaging van de productiekosten (concentratie van de productie, rationalisatie, verlaging van het levenspeil van de loonarbeiders, verlenging van de arbeidsdag) ; ten tweede door vermindering van het maatschappelijk werkzame kapitaal. De tweede methode gaat ten koste van de bezittende klassen. Door de crisis gaan vele ondernemingen failliet, anderen schrijven een aanzienlijk deel van hun aandelenkapitaal af. Het resultaat is in ieder geval, dat het totale maatschappelijke kapitaal dat nog in het bedrijfsleven steekt, aanzienlijk geringer wordt, waardoor de winsten weer voldoende worden, om het te doen renderen. Is het proces van verscherping van de uitbuiting en reductie van kapitaal ver genoeg voortgeschreden, dan kan de productie weer beginnen. De strijd om het arbeidsloon in crisistijd komt dus hier op neer, wie het gelag betalen zal. Hoe beter de arbeidende klassen hun levenspeil weten te handhaven, des te groter moet de kapitaalvernietiging zijn en hoe meer de kapitalisten het levenspeil omlaag kunnen schroeven, des te meer redden ze van eigen inboedel, des te minder hoeven ze van hun kapitaal af te schrijven.

Het ‘Handelsblad’ van 28 november 1931 schreef : “In het kapitalisme is het faillissement geen toevallig verschijnsel, maar een noodzakelijke regelaar van het economisch evenwicht. Faillissement van een onderneming komt niet slechts voor, wanneer hij niet in staat is, zijn zaken te beheren, maar ook als een wanverhouding in een tak van productie is ontstaan. De algemene betekenis van een bankroet is het elimineren [=opheffen, PIC] van ondernemingen, welker bestaan economisch niet meer gerechtvaardigd is, de aanpassing van de productie aan de omstandigheden of het brengen van een onderneming op een juiste kapitaalbasis. ALLE KUNSTMATIGE MIDDELEN HIERTEGEN VORMEN DE GROOTSTE HINDERNIS VOOR EEN GEZONDMAKING EN EEN OVERWINNING VAN DE CRISIS”.


f. Overzicht


De schoksgewijze ontwikkeling van het bedrijfsleven ontstaat door de beweging van de rentabiliteit van het kapitaal. Als het kapitaal na een crisis een nieuwe winstbasis gevonden heeft door verlaging van het levenspeil, rationalisatie en kapitaalvernietiging is de rentabiliteit van het industriekapitaal het grootst. Dat wil zeggen niet naar de hoeveelheid winst, maar naar het winstpercentage. Door het voortdurend nieuw kapitaal in het bedrijfsleven gooien neemt de bedrijvigheid toe en stijgt de hoeveelheid winst. Maar deze winst daalt in verhouding tot het veel grotere kapitaal. De winstvorming blijft bij het kapitaal achter.

De daling van de rentabiliteit gedurende een productieperiode vindt haar oorzaak in de jacht om de winst, in de strijd om het bestaan van de kapitalen. En daarom is het verschijnsel onverbrekelijk verbonden met het privaatbezit aan productiemiddelen.

De strijd van de kapitalen voltrekt zich in de jacht naar de gemiddelde productiviteit. Zodra een kapitaal er in slaagt boven dit gemiddelde uit te komen, bereikt het daarmee twee dingen : ten eerste is het in staat een extra-winst te maken ; ten tweede heeft het alle andere kapitalen van de betreffende branche in waarde doen verminderen, dat wil zeggen het heeft de winstmogelijkheden van die anderen verkleind. Daarmee is dan de waarde van die kapitalen verminderd, omdat deze waarde niet bepaald wordt door het aantal miljoenen, dat het groot is, maar naar de winsten die het kan voortbrengen. Zodra een bedrijf geen winsten meer afwerpt, is de waarde van het kapitaal nul geworden (afgezien van de oudroest-waarde).

De strijd van de kapitalen voert langs deze weg tot een toestand, waarbij de totale som aan maatschappelijk werkzaam kapitaal in miljoenen uitgedrukt, niet meer in overeenstemming is met de effectieve waarde. ’t Kapitaal in miljoenen uitgedrukt is ten opzichte van de te behalen winsten te groot. De winsten zijn te klein, om hun maatschappelijke functie verder te kunnen vervullen.

Het kapitalisme is dus een eigenaardig wezen. Zijn doel is het maken van zoveel mogelijk winst voor de afzonderlijke kapitalisten en krachtens dit levensbeginsel neemt het totale kapitaal steeds toe, waarbij de effectieve waarde van het totaal-kapitaal daalt. Hiermee ondermijnt het kapitalisme zelf telkens weer de grondslag van zijn bestaan. De productie verliest steeds meer van haar voedingsbodem, de winst, tot ze aan de ziekte ‘winstgebrek’ ineenstort.

Hoewel de ‘overproductie’ de uiterlijke verschijningsvorm van de crisis is, is de kwestie dus niet, dat er ‘teveel’ geproduceerd is. Hadden we hier mee te doen, dan zou het bedrijfsleven zich kunnen herstellen, als de grote voorraden verbruikt zijn. Maar daarmee is het kapitalisme niet klaar, zijn hele voedingsbodem moet herzien worden. Daarom zien we juist in crisistijd, dat is in het ‘genezingsproces’, de grote concentratie van de kapitalen, de centralisatie van de productie, het doorzetten van nieuwe procédé’s. Het kapitalisme ondergaat daarom vooral in crisistijd z’n grote structuurveranderingen, die de nieuwe winstbasis moeten vormen.

Het kapitalisme is dus als de vogel Phoenix uit de oudheid, die zich aan het einde van z’n levenskrachten verbrandt, om dan verjongd uit z’n as te verrijzen. Fel woedt de brand in het lichaam van het kapitalisme zelf en hij verzengt alle klassen met z’n gloed. Dan verschijnt het kapitalisme verjongd, maar niet als een kleine, schuchtere vogel. In iedere nieuwe jeugd staat het groter en machtiger dan voorheen. Doch de Phoenix is hier niet het beeld van de onsterfelijkheid. Deze kan zich niet eeuwig verbranden, omdat de brand de hele samenleving steeds scherper met de dood bedreigt. Daarom zal de arbeidersklasse deze Phoenix de doodsteek geven, door de levensbron van het kapitalisme, de winst, te sluiten en nieuwe bewegingswetten voor het bedrijfsleven te geven.


IV. ONTSTAAN EN BETEKENIS VAN DE OVERPRODUCTIE


a. De productie als uitdrukking van het belegging zoekende kapitaal


Het is geen wonder, dat men de oorzaak van de crises in het algemeen in een overproductie ziet in deze zin, dat er zoveel geproduceerd is, dat de pakhuizen vol zitten en de goederen onverkocht blijven liggen, ‘omdat zelfs Rockefeller er geen twee magen op na houdt’. Het is geen wonder, dat men de oorzaak van de crises in deze enorme productiviteit van de techniek zoekt, omdat het onverkocht blijven liggen van grote goederenmassa’s een sterk in het oog vallend crisisverschijnsel is. Men bekijkt het crisisverschijnsel dan vanuit de goederenmassa’s, terwijl wij het in de voorgaande bladzijden vanuit de kapitaalverhouding, uit de verhouding tussen de betaalde en de onbetaalde arbeid (de winsten) bekeken. We hebben betoogd, dat deze grondleggende verhouding gedurende de productie verstoord is. De winsten (onbetaalde arbeid) zijn niet voldoende, om de kapitalistische klassen met hun politieke instellingen (de staat, leger en vloot, de rechterlijke macht, de kerk) te onderhouden en bovendien de ontzettend kostbare strijd van de kapitalen te financieren. Wij hebben het crisisverschijnsel dus bekeken vanuit de verhouding, waarin de door de arbeidende massa’s voortgebrachte meerwaarde over de verschillende organen van de maatschappij worden verdeeld.

We geven direct toe, dat deze beschouwingswijze niet zo ‘eenvoudig’ is als de verklaring van het crisisverschijnsel door overproductie van verbruiksgoederen. En we zouden dan ook met de eenvoudige verklaring genoegen kunnen nemen, als ze ons niet volkomen op een dwaalspoor voerde en de weg afsloot tot het begrijpen van de maatschappelijke verschijnselen. Het is noodzakelijk in de werkelijke verhoudingen door te dringen, om te zien, dat crises niet ontstaan door sommige ‘onvolmaaktheden’ van het systeem, die door hervormingen opgeheven kunnen worden. Want het is niet de ‘slechte organisatie van het emissiewezen’ (het op de beurs uitgeven van nieuwe leningen en aandelen), of de ‘lichtzinnige financiering van het bedrijfsleven’, of de schuld van ‘onverantwoordelijke beursspeculanten’, maar het zijn de bewegingswetten van het private kapitalisme, van de veel geroemde vrije handel en de vrije beweging van de kapitalen.

We hebben het woord ‘overproductie’ boven dit hoofdstuk tussen aanhalingstekens gezet, omdat we daarmee te kennen willen geven, dat deze onverkochte goederen-massa heel wat anders is en op heel andere wijze ontstaat dan men op grond van de ‘eenvoudige’ verklaring aanneemt. We zagen reeds, dat Louzon de gebruikelijke opvatting formuleerde door te zeggen, dat de productie harder groeit dan het verbruik. En deze ongelijkmatigheid, deze ‘disharmonie’, ontlaadt zich dan in een overproductie, als de nieuw-gebouwde bedrijven, die voor het verbruik werken, hun stroom van producten over de aarde gaan strooien.

Deze voorstelling versluiert de feitelijke beweging van de productie. Gedurende de bloeiperiode is er geen ongelijkmatigheid van productie en verbruik, de productie stijgt niet harder dan het verbruik, want alles wat het bedrijfsleven voortbrengt, wordt in de maatschappij opgenomen. Er is in die tijd juist evenwicht. Nu moge het waar zijn, dat in het bijzonder de ontwikkeling na 1921 gedurende de bloeiperiode een voorraadvorming voor verschillende stapelproducten plaatsvond (koffie, rubber, suiker, granen) , maar deze ‘afwijking’ ontstond, doordat de geweldige kapitaalconcentratie van de tegenwoordige tijd de wetten van het ‘marktmechanisme’ tijdelijk kon doorbreken. En richten we het oog op de ontzaglijke menigvuldigheid van de duizenderlei goederen en de enorme omvang van de wereldproductie, dan zinken deze voorraden van de stapelgoederen in het niet. Daarom menen we te mogen zeggen, dat de productie niet harder groeide dan het verbruik, ondanks de ‘afwijking’ ten opzichte van verschillende stapelproducten.

De vraag is dus : Waar blijft de van jaar tot jaar stijgende goederenmassa ? Ieder jaar wordt meer geproduceerd en ieder jaar worden ze in de maatschappij opgenomen. Wie kopen ze ? Het zijn de kapitalisten. Zoals we gezien hebben, wordt ieder jaar meer geld op de markt gegooid, om belegging te zoeken. Het nieuw toegevoerde kapitaal treedt nu als koper op en neemt het ieder jaar meer-geproduceerde uit de markt. Dus juist doordat telkens nieuw kapitaal op de markt gegooid wordt, vindt het telkens meer-geproduceerde zijn plaats. Het nieuwe kapitaal neemt het meer-geproduceerde aan machines en grondstoffen uit de markt, alsook, wat telkens meer aan levensmiddelen wordt vervaardigd. Want het nieuwe kapitaal stelt ook nieuwe arbeiders aan, om deze machines te kunnen gebruiken. De arbeiders kunnen pas als kopers optreden, als het nieuwe kapitaal hen in dienst genomen heeft en hen heeft betaald. Het nieuwe kapitaal moet dus eerst als koper van arbeidskracht optreden. En de arbeiders kunnen ook geen cent meer kopen, dan door het nieuwe kapitaal aan loon wordt uitbetaald. De kracht van de opbloei wordt daarom geheel bepaald door de snelheid, waarmee nieuw kapitaal in het bedrijfsleven belegd wordt. Of anders gezegd : het toenemen van de vraag naar producten is niet de uitdrukking van de groeiende behoefte van de mensen, maar het is de uitdrukking van het bedrag, dat het nieuwe kapitaal in de vorm van levensmiddelen, machines en grondstoffen uit de markt trekt, om nieuwe winsten te vormen. Met andere woorden : het toenemen van de vraag is slechts de uitdrukking van het belegging zoekende kapitaal ! Hoe groter de winsten zijn, des te sneller worden ze verkapitaliseerd, des te stormachtiger verloopt het bedrijfsleven. Het is een waandenkbeeld, dat een overproductie ontstaat, doordat de arbeiders te weinig verbruiken, dat is, doordat de lonen te laag zijn. Op de grondslag van de rentabiliteit van kapitaal heeft iedere loonsverhoging de tendens tot stagneren van de productie in zich en heeft iedere loonsverlaging de tendens tot grotere bloei van het bedrijfsleven. Dat is juist de waanzin van de kapitalistische productie !

Om de ‘overproductie’ te begrijpen, moet men duidelijk zien, dat de bloeiperiode, het van jaar tot jaar stijgen van de productie, veroorzaakt wordt door het verkapitaliseren van de gemaakte winsten, dat het toenemen van de vraag niet anders dan de uitdrukking van het belegging zoekende kapitaal is. Als we dit goed in het oog houden, dan is het ook zonder meer duidelijk, dat zich grote voorraden gaan vormen zodra geen nieuw kapitaal meer in het bedrijfsleven wordt opgenomen. De goederen, die voor uitbreiding bestemd waren, worden dan niet uit de markt genomen, met het gevolg, dat ze in heel korte tijd een ‘overproductie’ veroorzaken. De ‘overproductie’ is dan niet anders dan het afbreken van het uitbreidingsproces. Dit afbreken roept dan plotseling een ongelijkmatigheid van productie en verbruik te voorschijn. Het evenwicht tussen productie en verbruik is plotseling verbroken, of plotseling is de productie groter dan het verbruik.


b. Productie en voorraden


Dat de ‘overproductie’ zo plotseling en inderdaad op deze ‘natuurlijke’ wijze tot stand komt, blijkt duidelijk uit de statistieken betreffende het bedrijfsleven. Voor zestig belangrijke producten heeft men een productielijn samengesteld, waaruit de toename van de productie in de verschillende jaren blijkt. Stelt men het gemiddelde productiecijfer van 1923-1925 op 100, dan zien we tot juni 1929 een bijna onafgebroken stijging, die op haar hoogtepunt tot 126 komt. Dan neemt de productie niet meer toe, maar ze begint heel langzaam te dalen, om in september 1929 op 121 te komen. De bedrijvigheid liep dus in drie maanden met 5:126, dat is nog geen 4% terug. Praktisch kan men dus zeggen, dat de productie ruim drie maanden nagenoeg op hetzelfde peil bleef. Half oktober, dus terwijl van een wezenlijke inkrimping van het bedrijfsleven nog geen sprake was, brak de beurscrisis uit en begon de eigenlijke ineenstorting van de productie (Zie ‘Handelsblad’ van 28 december 1929).

Waardoor brak tenslotte die ontzaglijke beurscrisis uit, waarom kwam er plotseling zo ruw een einde aan het ‘hausse- feest’ op de beurs, terwijl de productie zich toch nog nagenoeg op dezelfde hoogte bewoog ? De verklaring ligt in het feit, dat vanaf juni niet meer tot uitbreidingen werd overgegaan, doordat het toevoeren van nieuw kapitaal stagneerde. De voor uitbreiding bestemde goederen werden dus niet uit de markt genomen en zo vormde zich in deze drie maanden een ‘overproductie’.

Deze ‘overproductie’ bestond nog niet, toen in juni de uitbreidingen werden stopgezet. Dit blijkt, als we onze aandacht geven aan de statistiek van de voorraden. Het ‘Handelsblad’ zegt daaromtrent : “Het merkwaardige verschijnsel doet zich voor, dat de productie NIET begint te dalen, als de voorraden groot zijn, doch juist als deze zich op een laagte-niveau bewegen”. En dit blad gaat dan verder : “En nu blijkt, dat de productielijn zich sinds het midden van 1929 in dalende richting beweegt en de lijn der voorraden in stijgende” (Zoals we zagen bedroeg deze daling nog geen 4% voor de crisis uitbrak, PIC).

Het ‘Handelsblad’ noemt het een ‘merkwaardig verschijnsel’. Het is echter alleen ‘merkwaardig’, als men de samenhang niet begrijpt. Zodra men het bedrijfsleven ziet als een functie van het belegging zoekende kapitaal, dan is het alleen maar ‘natuurlijk’, da t zich een ‘overproductie’ moet gaan vormen, zodra geen nieuw kapitaal meer belegd wordt. Alle zakelijke producten, die voor uitbreiding bestemd waren, blijven in de markt en hopen zich steeds meer op. De voorraden groeien. Maar daarmee wordt het voor de ondernemers tevens onmogelijk, de productie zonder uitbreiding bij een matige winst van 4% voort te zetten. De zich ophopende voorraden moeten tenslotte van de hand gedaan worden, omdat de ondernemingen anders niet ‘aan hun verplichtingen kunnen voldoen’. Daarmee treedt dan de ineenstorting van de prijzen in.

Naast de ineenstorting van de prijzen voltrekt zich tevens de ineenstorting van het hele bedrijfsleven. Het is een algemene ‘overproductie’. Alle branches blijken ‘te veel’ geproduceerd te hebben, omdat alle fabrieken ingesteld waren op de ‘gebruikelijke’ uitbreiding. De productie wordt ingekrompen en plant zich voort over het hele bedrijfsleven, waarbij miljoenen arbeiders uit de bedrijven gestoten worden.

Vatten we een en ander samen, dan komen we tot het volgende beeld : In de opbloeiperiode hebben we een voortdurende uitbreiding van de bedrijven door het verkapitaliseren van de gemaakte winsten. Dit is het uitbreidingsproces of accumulatie-proces. Dan breekt de uitbreiding plotseling af, hoewel de productie niet of nauwelijks wordt ingekrompen, zodat de productie voorlopig op hetzelfde peil blijft. Maar juist hierdoor blijven de voor uitbreiding bestemde goederen onverkocht liggen zodat zich voorraden gaan vormen : de ‘overproductie’ begint te ontstaan. Daarmee raakt de financiële positie van de ondernemingen in gevaar. Men moet de zaken afwikkelen en onder een ineenstorting van de prijzen zet zich een vinnige concurrentiestrijd in bij een voortdurende inkrimping van het bedrijfsleven. Men werpt zich algemeen op de export, om in elkaars markten binnen te dringen, waartegen de andere kapitalen zich door middel van tariefmuren trachten te verweren. Hoe langer de crisis duurt, des te heviger is de strijd door tariefmuren... maar binnen steeds nauwer banen gaat de wereldhandel zich bewegen.

De gebruikelijke opvatting, waarnaar de ondernemers maar raak produceren tot de pakhuizen vol zitten, is naar onze mening niet juist. Dit blijkt ook, als we in het oog houden, hoe het kapitalisme de crisis overwint. Het komt de ‘afzetmoeilijkheden’ te boven, door de productie nóg machtiger uit te bouwen, door nóg reusachtiger bedrijven in te richten, waardoor echter de productiekosten per stuk kunnen dalen. Zo dacht bijvoorbeeld de ‘Maatschappij voor Ondernemingen in Nederlandsch Indië’ de rubbercrisis te overwinnen door ‘geleidelijke uitbreiding, verbeterde cultuurmethodes en verlaging van de kostprijs’ (‘Handelsblad’, december 1929).

Natuurlijk is het inderdaad mogelijk, dat sommige takken van productie te ver uitgroeien in verband met het opslorpingsvermogen van de markt. Maar dit kan geen algemene crisis veroorzaken, die het hele maatschappelijke leven zo diep ontwricht. Dergelijke storingen van ondergeschikte betekenis interesseren ons hier niet. De werkelijke ‘overproductie’ heeft een veel diepere zin, juist doordat ze door het afbreken van het uitbreidingsproces ontstaat.


c. Het afbreken van het uitbreidingsproces


Maar waardoor breekt het uitbreidingsproces af ? Welke dwingende macht bepaalt het stopzetten van de uitbreidingen ? Dat het ophouden van het accumulatie-proces tot een crisis moet voeren, is duidelijk, maar daarmee is nog niet verklaard, waarom niet meer uitgebreid wordt. Want zoals we uit de statistiek van productie en voorraden zagen, waren de voorraden op een laagtepunt, toen het uitbreidingsproces afbrak. En waren dus geen directe ‘afzet-moeilijkheden’, alles wat geproduceerd was, was nog verkocht. Het ‘Handelsblad’ zal natuurlijk zeggen, dat de vrees ontstond, dat het in de toekomst wel eens mis zou kunnen gaan en dat juist door deze vrees de paniek zich van allen meester maakte.

We zijn het in deze met het ‘Handelsblad’ niet eens en menen een vastere grondslag van verklaring te hebben, als we het verschijnsel uit de bewegingswetten van de kapitalistische productie zelf afleiden. Met of zonder vrees van de kapitalisten moet de accumulatie afbreken en de crisis intreden.

Het afbreken van het uitbreidingsproces ontstaat even ‘natuurlijk’ als de ‘overproductie’. Zodra de ondernemingen in crisistijd een nieuwe winstbasis voor hun kapitaal gevonden hebben door verlaging van de lonen, rationalisatie, nieuwe productiemethoden en kapitaalafschrijvingen, begint gaandeweg weer een ontwikkeling van de bedrijvigheid. De vraag naar allerlei producten gaat weer stijgen, het kapitaal begint weer ‘behoorlijke’ winsten af te werpen. En met het toenemen van de vraag, neemt het proces van bedrijfsuitbreiding weer een aanvang. Het hiertoe benodigde kapitaal kan echter alleen geleverd worden door het verkapitaliseren van de gemaakte winsten. Bij een opbloei van het bedrijfsleven ontstaat dus een levendige vraag naar deze winsten, dat is naar bedrijfskapitaal. Maar zoals de prijzen van de producten bij krachtiger navraag stijgen, zo stijgt ook de prijs van het geld. Dat ook de prijs van het geld stijgt, komt juist omdat deze sommen tenslotte beperkt zijn, ze kunnen niet verder reiken dan de winsten, die de arbeiders reeds hebben voortgebracht. De strijd van de ondernemers, om deze winsten in hun bedrijf te mogen verkapitaliseren is in volle gang en de geldschieters, krediet- en hypotheekbanken lachen in hun vuistje, want ze geven het geld aan wie de hoogste rente betaalt, of wie de hoogste dividenden uitkeert. ’t Gevecht van de ondernemers om de kredieten, leningen en andere kapitaal-vergrotingen gaat voort en daarmee stijgt de rentevoet van het geld. De vraag naar kapitaal overtreft het aanbod ! Tenslotte zien we het verschijnsel, dat we bij iedere algemene crisis zien optreden : er is niet voldoende geld voor uitbreidingen meer beschikbaar : De ondernemers willen nog wel geld opnemen, om het uitbreidingsproces voort te zetten, maar het geld is zo duur, dat het bankkapitaal met het grootste deel van de gemaakte winsten gaat strijken, en het bedrijf dus niet ‘rendabel’ is. De ondernemers schrijven nog aanzienlijke leningen uit, maar... ze worden niet meer geplaatst, omdat... er nog te weinig winsten over zijn, die voor kapitalisatie in aanmerking komen. De arbeiders leverden wel de winsten voor het maatschappelijk bedrijfsleven, maar ze leverden niet genoeg ! De arbeidersklasse werd wel uitgebuit, maar ze werd niet genoeg uitgebuit. En met dit tekort aan kapitaal voor uitbreiding van de productie breekt automatisch het uitbreidingsproces af.

Dit verschijnsel, dat bij de huidige crisis ook sterk op de voorgrond trad, werd door het ‘Handelsblad’ aldus geformuleerd :

“De productie breidde zich uit, de werkloosheid verminderde... Doch allengs werden de beschikbare kapitalen geringer. Om van de bestaande hausse-stemming op de beurs te profiteren, werden in Amerika nog haastig enorme kapitaal-uitbreidingen doorgevoerd. De kredietschaarste werd acuut en zo ontwikkelde zich een ernstige crisis”.

Hiermee is het afbreken van het uitbreidingsproces volkomen ‘natuurlijk’ verklaard. Tenminste in z’n uiterlijke verschijningsvorm. De diepere grond, het dalen van de winstvoet van het productieve kapitaal, waardoor het bedrijfsleven ‘ziek’ geworden is, het achterblijven van de winst ten opzichte van de omvang van het belegde kapitaal, hebben we vroeger gezien. Maar wie aan de uiterlijke verschijningsvorm blijft hangen, komt tot een volkomen onjuiste beoordeling van de crisis, omdat deze zich in ’t beurs en bankwezen als een ‘kredietschaarste’ en een ‘kapitaalnood’ openbaart. Zodoende wordt de schijn gewekt, alsof we niet met een productiecrisis, maar met een geldcrisis te doen hebben. Het ‘Handelsblad’ meent dan ook, dat het uitgeput raken van de beschikbare kapitalen veroorzaakt wordt door een onvoldoende organisatie van het geldwezen. Daarom moeten “de banken er eindelijk toe komen, het gehele emissie-stelsel grondig te herzien”, want het is “de roekeloze wijze van financiering geweest, die de grondslag voor deze débacle heeft gelegd” (‘Handelsblad’, 7 november 1929). “Men heeft hier te doen met een crisis van financiële aard” (‘Handelsblad’, 26 oktober 1929). En een jarenlang als Marxistisch econoom bekend staand schrijver schreef bij het uitbreken van de crisis in 1929 :

“[…] Wat dus thans is gebeurd […] is niet anders dan het te hoog opjagen van prijzen en het daardoor ontstane te hoog opdrijven van geleende gelden, die de geldgevers eindelijk terugverlangden, omdat zijzelf wilden trachten er mee te verdienen. Dat is de eenvoudigste manier om de zaak op te lossen en ook de meest juiste. Men behoeft naar niets anders te zoeken, daar al wat men meent te vinden, niets anders is dan zelfbedrog […] Nog enige maanden zal de moeilijkheid om aan geld te komen aanhouden, dan is alles vergeten en kan het van voren af aan weer beginnen”.

Nu is het een bij iedere crisis terugkerend verschijnsel, dat de oorzaak in de slechte organisatie van het geldwezen gezocht wordt. En zelfs in kringen als die van het ‘Handelsblad’ wordt telkens met de gedachte gespeeld, de crises door een planmatige kapitaalsuitbreiding en kredietverstrekking te voorkomen. Maar de drijvende kracht in het economische leven is de strijd der kapitalen. Deze strijd bepaalt waar en wanneer de kapitaals-uitbreidingen worden doorgevoerd en kredieten worden opgenomen. Een planmatige kapitaalvoorziening wil daarom niet anders zeggen dan de opheffing van de strijd der kapitalen, dat is opheffing van het privaatbezit aan productiemiddelen. Een planmatige kapitaalvoorziening op de grondslag van het privaatbezit (als theoretische abstracte mogelijkheid gesteld) zou technisch achterblijvende kapitalen volkomen vernietigen, doordat het hun onmogelijk gemaakt zou zijn, hun rentabiliteit op peil te houden. De kapitalistische klassen kunnen er daarom niet aan denken, inderdaad tot een planmatige productie over te gaan.


V. HET CHRONISCHE KARAKTER VAN DE HUIDIGE CRISIS


Als conclusie van onze voorafgaande beschouwingen kunnen we vaststellen, dat de gebruikelijke opvatting, waarnaar een crisis ontstaat door een overproductie van allerlei goederen, de feitelijke samenhang van de verschijnselen versluiert. Men zet de dingen op hun kop. Naar de gebruikelijke opvatting gaat men uit van het direct in het oog springende verschijnsel van de overproductie, waaruit dan afzet-moeilijkheden ontstaan, die een daling van de rentabiliteit van het kapitaal tot gevolg hebben. Naar deze opvatting ontstaat de daling van de rentabiliteit uit de overproductie. Maar wij keren het om. ’t Belegde kapitaal groeit sneller dan de winsten, waardoor de rentabiliteit daalt, waaruit als gevolg ’t stopzetten van de uitbreidingen en daarmee de ‘overproductie’ ontstaan. Naar onze opvatting is de overproductie niet de oorzaak van de crisis, maar de crisis (’t verloren gaan van de winstbodem) roept de overproductie te voorschijn. De overproductie is een begeleidend verschijnsel, dat de crisis alleen verscherpt door de snelle daling van de goederenprijzen. Maar ook al zouden de kapitalisten zich van alle ‘overtollige’ goederen ontdoen, bijvoorbeeld door ze in zee te smijten, dan was daarmee de crisis niet opgeheven, omdat de oorzaak op ander terrein ligt, omdat ’t gaat om de uitbuitingsgraad bij de geldende stand van de techniek, zodat grote structuurveranderingen in de samenstelling van het kapitaal tot stand moeten komen.

In ’t bijzonder in de tegenwoordige tijd, nu we zoveel horen over de ‘doodscrisis’ van het kapitalisme, van de ‘eindcrisis’ waarin we ons zouden bevinden, is het van belang, het wezenlijke karakter van een crisis, ook van de huidige, in ’t oog te houden. Wie dat niet doet, zal voor allerlei ontgoochelende verrassingen komen te staan ten opzichte van de maatregelen, waarmee de heersende klassen zich staande trachten te houden en ten opzichte van de verdere ontwikkeling van het kapitalistische systeem. Men verwacht de ‘absolute’ ineenstorting, zonder zich nader te realiseren, wat dit betekent en men moet dan telkens opnieuw vaststellen, dat het kapitalisme taaier is dan men dacht, omdat de ‘absolute’ ineenstorting niet komt. Want een groot deel van het economische leven blijft altijd functioneren. De overgang van kapitalisme naar kommunisme is daarom geen automatisch proces, maar blijft altijd aan de graad van bewustwording van de arbeidende klassen gebonden. Juist daarom is een onverzoenlijke principiële propaganda noodzakelijk.

Uitgaande van de grondslag van de kapitalistische maatschappij, de rentabiliteit van het kapitaal, willen we nu verschillende vraagstukken van de tegenwoordige en van de komende tijd aan een korte beschouwing onderwerpen.


a. De omvang van de crisis


De huidige crisis overtreft alle voorafgaande in omvang. De oorzaak daarvan ligt in de voortdurend verdergaande specialisering van de maatschappelijke arbeid. Ieder afzonderlijk bedrijf werd steeds meer een radertje in het grote geheel. Vóór het brood door ons geconsumeerd wordt, heeft de halve wereld er aan gewerkt. De Canadese boer heeft het graan verbouwd, de meelfabrieken in Winnipeg hebben het gemalen, de spoorwegen hebben het meel vervoerd, de transatlantische stomers hebben het hierheen gebracht, de bootwerkers hebben het gelost, de bakkerijen hier hebben het verwerkt. Enzovoorts, enzovoorts, enzovoorts. De hele wereld is verbonden tot één grote werkplaats. Daardoor hebben de crises bij de tegenwoordige specialisatie een internationaal karakter.

Maar ook nationaal nemen ze door de specialisatie in omvang toe. Met de ontwikkeling van de internationale goederenhandel ontwikkelden verschillende bezigheden, die vroeger door de fabrikant zelf werden verricht, tot afzonderlijke maatschappelijke functies, die door afzonderlijke organen behartigd worden. Zo ontstonden de grote handelmaatschappijen, het boekhoudings- en bankapparaat, waarin duizenden van de door het grootbedrijf platgedrukte en verproletariseerde middenstand tot loonarbeiders, tot ‘hoedenproletariërs’, een bestaan vonden. Een crisis slingert ook van hen duizenden in het werklozenleger, zodat de specialisatie van de maatschappelijke arbeid de omvang van de crisis ook naar deze richting uitbreidt.

Dan is de grote uitbreiding van het moderne staatsapparaat nog een factor, die de omvang van de crisis doet toenemen. Duizenden en duizenden loonarbeiders met en zonder ‘hoed’ zijn in dienst van de staat, terwijl de bronnen, waaruit de staatsuitgaven gevoed worden, uit ’t bedrijfsleven komen. Een crisis schudt daarom ook ernstig aan de fundamenten van het staatsgebouw. De staat moet ‘bezuinigen’, allerlei werkzaamheden tot stilstand brengen en zo duizenden loonarbeiders bij het werklozenleger inrijen.

Tenslotte wijzen we nog op het toenemen van de omvang van de crises door de veranderingen, die zich in het boerenbedrijf voltrokken hebben. Vroeger voerde de boer een tamelijk ‘zelfstandig’ bestaan, doordat hij voor tot grootste deel z’n eigen product verbruikte, en alleen z’n overschot op de markt bracht. Nu is de boer geheel tot de warenproductie overgegaan. Hij is in de productie gespecialiseerd en verkoopt z’n gehele product. Evenals ieder ander moet hij nu alles, wat hij voor z’n onderhoud nodig heeft, kopen. Voor de verkoop van z’n producten is hij geheel van de markt afhankelijk en de ineenstorting van de prijzen, die de overaccumulatie begeleidt, ruïneert hem, zodat tegenwoordig de hele ‘boerenstand’ in een crisis wordt meegesleept.

Dit zijn de voornaamste factoren, die de crises een steeds grotere omvang doen aannemen. In ’t algemeen gesproken is het dus de voortdurende omwenteling in de sociale verhoudingen, die door de veranderingen in de productie (door specialisatie) ontstaan. ’t Maatschappelijk arbeidsproces wordt steeds meer één ononderbroken geheel waarbij iedere deelwerkzaamheid van de andere afhankelijk is. En daarmee worden ook alle mensen onderling afhankelijk, zodat de crisis de hele samenleving gaat omvatten en de hele wereld uit haar voegen rukt. Hoe verder het kapitalisme zich ontwikkelt, des te ernstiger bedreigt het daarom de hele samenleving, des te groter rampen van verhongering en verwildering brengt het over de mensheid.

Vele arbeiders leiden uit de enorme omvang van de huidige crisis, nu over de hele wereld miljoenen zonder dak boven het hoofd als vagebonden langs de wegen zwerven, af, dat de ‘eind-crisis’ voor het kapitalisme gekomen is. Maar uit de enorme omvang alleen is dat niet af te leiden. De kwestie waar het op aankomt, is, of de rentabiliteit hersteld kan worden. Met andere woorden of de verstoorde verhouding van betaalde en onbetaalde arbeid voor de kapitalisten verbeterd kan worden ; met andere woorden of de uitbuitingsgraad van de arbeid nog voldoende verhoogd kan worden. Is dat nog mogelijk, dan herstelt het kapitalisme zich en zet een nieuwe periode van bedrijvigheid in, waarbij de werkloosheid geleidelijk afneemt. Dit punt moet dus nader in het oog gevat worden.


b. De duur van de crisis


De huidige crisis wordt niet alleen gekenmerkt door grote omvang, maar ook door de ongeëvenaard lange duur. Ook dit wordt veelal als een aanwijzing gezien, dat het kapitalisme z’n ‘eind-crisis’ doormaakt. Maar uit de langdurigheid is niet af te leiden, dat die toestand tenslotte niet overwonnen kan worden. Het is daarom vruchtbaarder te onderzoeken, waardoor deze crisis langer duurt dan haar voorgangers.

We moeten dus nagaan, in hoeverre de gewone middelen van herstel nog hun werkzaamheid hebben. Het herstel van de rentabiliteit gaat langs de weg van :
1. Kapitaalvernietiging ;
2. Concentratie van de kapitalen met daarmee gepaard gaande centralisatie van het bedrijfsleven ;
3. Rationalisatie ;
4. Verlaging van het levenspeil van de loonarbeiders.
Al deze werkingen tezamen brengen een nieuwe verhouding tussen de betaalde en onbetaalde arbeid tot stand, met andere woorden een nieuwe winstbasis.

De verlaging van het levenspeil, die vroeger een belangrijke rol speelde bij het vormen van de nieuwe winstbasis, heeft door het voortschrijden van de machinale productie een groot deel van haar ‘genezende’ werking ingeboet. Het arbeidsloon maakt een steeds geringer deel van de productiekosten uit, zodat een loonsverlaging van bijvoorbeeld 10% praktisch geen effect meer sorteert. Om de rentabiliteit langs deze weg te herstellen, zouden de lonen zeker tot de helft teruggebracht moeten worden, wat voor de grote massa tot de onmogelijkheden behoort. De ontwikkeling van de machinale productie, de vervanging van de menselijke arbeidskracht door machines, heeft daardoor deze uitweg uit de crisis aanmerkelijk bemoeilijkt. Het toenemen van de machinale productie, of, economisch uitgedrukt, de groei van het vaste kapitaal, dat in de productiemiddelen steekt, is daarom een factor, die de duur van de crisis verlengt en die steeds meer zorgen baart, hoe verder het kapitalisme zich technisch ontwikkelt. Daarom moeten de andere factoren, die een herstel in de hand werken met vergrote kracht in het werk gesteld worden naast de scherpste neerdrukking van het levenspeil van de loonarbeiders.

De rationalisatie zou hier een rol kunnen spelen. En ongetwijfeld oefent ze nu haar werking. Maar de rationalisatie heeft voor zeer vele branches nu reeds zulk een hoge graad bereikt, dat verlaging van de productiekosten langs deze weg alleen mogelijk is bij enorm grote productie. En juist hiervoor is nu geen plaats, doordat alle landen hun grenzen voor concurrerende goederen sluiten, waardoor de wereldhandel zich in heel nauwe banen beweegt. Bij een productie op beperkte schaal biedt de rationalisatie daarom geen nieuwe mogelijkheden. Bovendien brengt het doorvoeren van wezenlijke rationalisatie ernstige kapitaal-moeilijkheden met zich mee. Bekend is het voorbeeld van de Ford-fabrieken in Detroit, die een half jaar werden stilgezet, om de fabriek op een ander type wagen om te vormen, waartoe zeer grote kapitalen nodig zijn. Zodoende wordt de reeds bereikte rationalisatie veelal een rem bij het doorvoeren van de nieuwe. Dat wil zeggen : de bereikte rationalisatie is tot een factor geworden die de duur van de crisis verlengt.

Bij ’t in gebreke blijven van deze twee belangrijke factoren om tot verlaging van de productiekosten te komen, zou dus een enorme kapitaalvernietiging tot stand moeten komen, om tot een ‘herstel’ te kunnen geraken. Inderdaad vindt deze kapitaalvernietiging plaats. Vele ondernemingen hebben hun aandelenkapitaal tot op de helft, een derde of nog minder afgeschreven om ’t absolute bankroet te voorkomen en zo een nieuwe winstbasis te vinden. Maar deze kapitaalvernietiging is op geen stukken na voldoende voor ’t hele bedrijfsleven. En nu zou de kapitaalvernietiging wel veel grotere vormen aannemen, als de kapitalisten het vernietigende spel der economische krachten hun vrije gang lieten gaan, zoals dit vroeger bij de ‘vrije handel’ het geval was.

Maar deze weelde kunnen de kapitalisten zich niet meer veroorloven. In alle landen stellen de kapitaalbezitters alle pogingen in het werk, om kapitaalvernietiging te voorkomen door ’t oprichten van tariefmuren. Zoals altijd in een crisis werpen de ondernemers zich met verdubbelde kracht op de export en ontketenen ze een vernietigende concurrentiestrijd op de wereldmarkt, waarbij ze elkaars markt trachten te veroveren. Liet men de vrije concurrentie haar werking oefenen, dan was in betrekkelijk korte tijd ’t productieapparaat in de landen die economisch ’t zwakst zijn, tot oudroest geconcurreerd, dat wil zeggen het ‘nationale kapitaal’ zou vernietigd zijn. Daarom richten alle landen tolmuren op, om de buitenlandse concurrentie te weren en zo in ieder geval de binnenlandse markt als afzetgebied te houden, waarbij ze dan veel betere prijzen kunnen maken, dan bij de vrije concurrentie het geval zou zijn.

Maar deze tolmuren brengen natuurlijk geen oplossing van de moeilijkheden. Het zijn noodmaatregelen, om de ‘nationale kapitalen’ in ieder geval een poosje te beschermen. De internationale specialisatie van het arbeidsproces heeft echter gemaakt, dat de bedrijven niet op de nationale, maar op de internationale goederenvoorziening gericht zijn. Voor de nationale behoeften zijn de in de verschillende branches belegde kapitalen veel te groot. Daarom verschijnen naast de tolmuren allerlei maatregelen om faillissementen te voorkomen, dat is, om de nationale kapitalen voor ondergang te behoeden. Dit gebeurt dan in de vorm van regeringssteun aan bepaalde industrieën, of door het verstrekken van regeringskredieten, die ten doen hebben grote goederenvoorraden uit de markt te houden, zodat ze niet tegen spotprijzen verkocht hoeven te worden. Voor de betrokken kapitalisten is dat weliswaar heel aardig, maar voor een herstel uit de crisis werken deze maatregelen funest. De kapitaalvernietiging wordt geremd en daarmee wordt de duur van de crisis verlengd. Ze maken de crisis chronisch, in plaats van haar te overwinnen.

Toch hebben al deze maatregelen, die meestal in de vorm van een ‘reddingsplan’, als een plan om het bedrijfsleven weer op gang te brengen, worden aangediend, een tijdelijke werking. Met de ontreddering van het bedrijfsleven gaat meteen de ontreddering van de staatsfinanciën voort, zodat de steunverlening steeds moeilijker wordt en de kapitaalvernietiging tenslotte toch moet intreden. Maar de kapitalisten zullen deze toestand zeker niet lijdelijk afwachten, zodat ze vóórdien naar andere middelen zullen grijpen, om de eigen kapitaalvernietiging te ontgaan. Iedere ‘natie’, op eigen kapitaal-behoud bedacht, moet daarom het kapitaal van de andere trachten te vernietigen, zodat een nieuwe wereldoorlog onvermijdelijk is. Daarom is het geen toeval, dat men al sprekende over ontwapening zich voortdurend zwaarder bewapent. De ‘natie’s’ kunnen niet ontwapenen, omdat het nationale bestaan inderdaad op het spel staat. Ongetwijfeld is bij grote delen van de heersende klassen de wil tot ontwapening aanwezig, omdat deze oorlogs-voorbereiding ook van hen zware offers vraagt, en bovendien het overwinnen van de crisis bemoeilijkt. Maar de kapitalisten kunnen niet anders, omdat ze de gevangenen van hun eigen productie-stelsel zijn.

De maatregelen om de kapitaalvernietiging te voorkomen, behoren tot de belangrijkste omstandigheden, die de crisis van zo lange duur maken. En de feitelijke oorzaken, waarom men de economische krachten geen vrij spel kan laten, om zo de kapitaalvernietiging te doen intreden, bepalen, dat deze crisis een chronisch karakter heeft. De twee voornaamste oorzaken zijn de grote kapitaal-concentratie van de tegenwoordige tijd en de ver doorgevoerde specialisatie van de maatschappelijke arbeid. Het bankroet gaan van de reuzen-concerns betekent een ‘nationale ramp’, omdat een dergelijk bankroet het toch reeds hopeloos ontwrichte bedrijfsleven in een ware chaos zou doen ontaarden. Niet alleen het kapitaal van enkele kapitalisten staat nu op het spel, maar het bestaan van hele industriegebieden, die door deze concerns beheerst worden. En in andere gebieden, waar niet zulk een enorme kapitaal-concentratie heeft plaatsgevonden, zoals bijvoorbeeld in de agrarische landen, daar heeft de specialisatie hele landstreken op de vervaardiging van één of zeer weinig producten gericht. Voor zulke gebieden betekent de kapitaalvernietiging niet de onteigening van een hand vol bezitters, maar de absolute verhongering van hele landstreken. Het loslaten van de steunmaatregelen zou een groot deel van de boeren absoluut onteigenen en in ’t pauperisme stoten.

Dit is het grote dilemma, waarvoor de kapitalisten geplaatst zijn. Aan de ene kant schreeuwen ze om opheffing van de handelsbelemmeringen en terugkeer naar de vrije handel, omdat ze allen weten, dat de voortdurende inperking van de wereldhandel de situatie verscherpt. En daarom beleggen ze conferentie op conferentie, om de handelsbelemmeringen uit de weg te ruimen. Maar toch komt van al deze conferenties niets terecht, omdat ze aan de andere kant heel goed weten, dat bij de vrije beweging van de kapitalen de grote debacle van ineenstorting in de verschillende landen eerst recht doorzet... om niet meer overwonnen te worden ! En daarom mogen de arbeidende klassen zich niet door de bourgeoisie op de weg laten dringen, om zich voor of tegen protectie, of voor of tegen de vrije handel te verklaren. Protectie beduidt het chronisch maken van de crisis met uitmonding in een nieuwe wereldoorlog. Vrijhandel beduidt de economische ondergang van hele ‘natie’s’ met de absolute verhongering van de massa’s. Daarom hebben wij geen keus, maar wordt ons de doorvoering van de kommunistische productiewijze opgedrongen, de opheffing van de rentabiliteit van het kapitaal.

Wat de bezittende klassen betreft, is het dus niet toevallig, dat de staat, die immers de handhaving van de bestaande ‘orde’ tot doel heeft, die daarom het privaatbezit van zijn burgers te verzekeren heeft, in deze crisis veel meer in het bedrijfsleven ingrijpt dan vroeger. Want zoals gezegd, dreigt nu niet de ondergang van enkele kapitalisten, maar van grote delen van de ‘natie’. Daaruit is het ook te verklaren, dat bij het fout gaan van de Midden-Europese banken (Danatbanken in Duitsland, Oostenrijkse Bank) de regering het niet tot een faillissement liet komen, maar een voortzetting van het bankbedrijf verzekerde.

De mogelijkheden tot overwinnen van de crisis hebben dus wel een grote verandering ondergaan ! Terwijl vroeger de concentratie van de kapitalen een middel was, om de crisis te overwinnen, heeft ze nu een hoogte bereikt, waarop ze een herstel onmogelijk maakt, of in ieder geval zeer bemoeilijkt. Terwijl vroeger een verdergaande specialisatie een factor in het herstel was, verleent ze nu een chronisch karakter aan de crisis.

De toestand, dat een kapitaalvernietiging nu de vorm van een ‘nationale ramp’ aanneemt, heeft zeer verstrekkende gevolgen. Het betekent een nauwere aaneensluiting van alle bezittenden om de ‘natie’ te verdedigen en is dus de bron, waaruit de nationalistische waanzin van het fascisme wordt gevoed. ’t Betekent daarom een algemene wedstrijd in bewapening, om in de volgende oorlog de ‘nationale’ kapitalen te redden, die anders niet te redden zijn. ’t Betekent de internationale groei van het fascisme, wat de korte uitdrukking is, om de natie in staat van verdediging te brengen tegenover de andere kapitalistengroepen en... tegenover de arbeidende klassen.


VI. SAMENVATTING EN PERSPECTIEF


a. Samenvatting


Uit de voorafgaande beschouwingen over het ontstaan, de intensiteit en de duur van de crisis blijkt dus duidelijk, dat we zogenaamde ‘doodscrisistheorieën’,die verkondigen, dat het kapitalisme op een bepaald punt in zijn ontwikkeling ‘vanzelf’ ineen moet storten, voor onjuist houden. Er is voor het kapitalisme altijd een uitweg, al gaat die over de volkomen verarming van de massa’s of over miljoenen lijken. De overwinning van het kommunisme, het vernietigen van het kapitalisme, blijft altijd gebonden aan de bewustheid van de handelende massa’s.

Ook de doodscrisistheorie van de Amerikaanse ingenieurs, van de ‘technocraten’, houden we voor onjuist. De technocraten menen, dat de moderne industrie zo ontzaglijk veel goederen in korte tijd kan voortbrengen, dat het niet meer tot een nieuwe conjunctuur kan komen. De verdere voortgang van de rationalisatie zal de arbeiders steeds meer uit het productieproces dringen, waardoor het kapitalisme zichzelf onmogelijk maakt.

We hebben gezien, dat deze technocraten zich op dit punt vergissen. De ‘permanente werkloosheid’, die deze technocraten waarnemen, heeft heel andere oorzaken. Niet de rationalisatie voert tot de blijvende werkloosheid, maar juist het gebrek aan voldoende rationalisatie. ’t Stagneren van de huidige crisis ontstaat juist voor een deel, doordat de huidige bezitsverhoudingen een grootscheepse rationalisatie verhinderen (Zie hiervoor blz. 28 tot 31 over ‘de duur van de crisis’). De rationalisatie is juist de grote factor, die het kapitalisme telkens nieuwe levensimpulsen geeft, die telkens opnieuw de bron voor nieuwe kapitaalbelegging, dat is voor nieuwe ‘werkgelegenheid’ opent. In het kapitalisme gaat het slechts om de hoeveelheid winsten, die door de massa’s voortgebracht kunnen worden, dat is : het gaat om de verhoudingen van de betaalde tot de onbetaalde arbeid.

Naar onze opvatting liggen de moeilijkheden van het kapitalisme dus niet in de eerste plaats op het terrein van de enorme productiviteit van de arbeid in verband met de ‘afzet-moeilijkheden’ of de zogenaamde ‘onder-consumptie’ van de massa’s. De moeilijkheden zitten in het verzet van de bezittende klassen tegen de noodzakelijke structuurveranderingen van het bedrijfsleven, die voor een nieuwe winstbasis nodig zijn. Want deze structuurveranderingen betekenen niet anders dan een nieuwe verdeling van de voort te brengen winsten onder de bezittende klassen.

In ‘normale’ tijd kwam de nieuwe structuur voor een goed deel door grote kapitaalvernietiging tot stand. Ze voltrok zich onder de wetten van de vrije concurrentie. Maar nu de specialisatie van de maatschappelijke arbeid de bezitters tot grote, georganiseerde groepen verenigd heeft, verzetten ze zich met alle middelen tegen de nieuwe structuur door tariefmuren en dergelijke en ontstaat de tendens, zich in een ‘autarkie’ van het dreigende buitenland af te sluiten. En anderzijds moeten de industrieën, die er op gericht zijn in de wereldbehoeften te voorzien, trachten de vijandige tariefmuren te breken. Zodoende slaat de economische strijd der kapitalen nu veel gemakkelijker in een strijd der ‘natie’s’ om, dan vroeger het geval was. En dit oorlogsgevaar wordt niet in het minste verhinderd door Volkenbonden, Economische Conferenties of Non-agressiepakten, omdat geen enkele ‘natie’ er aan kan denken, zijn belegde kapitalen te offeren.

Wat zal de naaste ontwikkeling brengen ? Tot op heden, oktober 1933, zijn er nog geen tekenen te zien, die op een overwinnen van de crisis duiden. Wel stonden het hele jaar de kranten en tijdschriften vol met getallen, waaruit bleek, da t het bedrijfsleven niet onaanzienlijk opbloeide en de werkloosheid afnam. Maar in werkelijkheid beduidde deze ‘opbloei’ geen herstel, doch was het slechts een begeleidingsverschijnsel van de voort schrijdende ineenstorting. Verschillende landen, waaronder Amerika het voornaamste is, moesten tot een depreciatie van het geld overgaan wat zoals bekend, een stijging van de goederenprijzen en een kunstmatige tijdelijke opbloei tot gevolg heeft. Een belangrijke factor daarbij is, dat ieder, die wat geld heeft, zich dit door de valuta-depreciatie ziet ontvallen, zodat men probeert, dit geld in goederen om te zetten. Het is een vlucht in de ‘Sachwerte’. Op het eerste gezicht lijkt dat een ‘opbloei’, vooral doordat deze vlucht in de goederen en het vooruitzicht op valutawinst de prijzen meer doet stijgen dan de valuta daalt, maar in werkelijkheid is het de aanloop tot nog grotere débacles.

Ondanks de verbetering van het bedrijfsleven, die in het afgelopen jaar vier waar te nemen, vreet de crisis dus dieper in het maatschappelijk leven. Internationaal vertoont zich dat in een verscherping van de tegenstellingen tussen de natie’s, nationaal in de toenemende moeilijkheid, om de begrotingen in evenwicht te brengen. De verpletterende last van de staatsschulden begint daarbij een beslissende rol te spelen, nu alleen aan het parasitaire leen-kapitaal ongeveer de helft van de staatsinkomsten afgegeven moet worden. De bron, waaruit de staat een goed deel van z’n inkomsten trekt, het bedrijfsleven, brengt steeds minder op, zodat de staat steeds grotere bedragen in de vorm van directe in indirecte belastingen uit de massa’s moet persen. Maar deze heffingen ten bate van het parasitaire kapitaal hebben een zeer noodlottige werking. Want wel worden de massa’s uitgeplunderd en daalt hun levenspeil, maar deze daling verbetert de rentabiliteit van het productie-kapitaal niet. De toestand van de massa’s verslechtert, zonder dat dit een element is in het overwinnen van de crisis.

Zwarte nacht is daarom de toekomst van de massa’s. De miljoenen werklozen verpauperiseren. De ‘gelukkigen’, die nog werk hebben, hebben in hun kleiner aantal de vijfvoudige last te torsen van :
1. de maatschappelijkgemiddelde winst, zoals deze door de wereldbeweging van de kapitalen wordt bepaald ;
2. de enorme lasten van de staatsschulden en militaire voorbereiding voor de volgende wereldoorlog ;
3. de steun aan de verschillende bedreigde kapitaalgroepen ;
4. het onderhoud van het militaire politieapparaat, om de uitgehongerde massa’s in bedwang te houden ;
5. de miljoenensteun voor de werklozen.

Al deze kosten moesten vroeger ook door de loonarbeiders opgebracht worden, zodat het in principe niet anders is dan vroeger. Maar omdat de lasten groeien en het aantal werkenden veel geringer is dan vroeger, verandert de last in een verplettering. De kwantiteit slaat om in de kwaliteit. Ook de werkenden gaan verhongeren. En temidden van de hoogst uitgebouwde techniek, temidden van de enorme productiekrachten, die in staat zijn, alle mensen van ruim voldoende goederen te voorzien, schreeuwen de massa’s om brood, kleding en onderdak... en worden de oogsten met petroleum begoten, om ze te vernietigen.

Dat is het kapitalisme. Dat is de productie op de grondslag van de rentabiliteit van het kapitaal. Dat zijn de wetten van de warenproductie. Niemand is aan deze krankzinnigheid ‘schuldig’. Het is een waanzin, die niemand ‘wil’ en die zich nochtans met de kracht van een natuurwet doorzet.


b. Perspectief


Zwarte nacht is de toekomst der massa’s. Krampachtig houden ze vast aan de samenwerking van Kapitaal en Arbeid, die hen tenslotte steeds dieper in de afgrond stort. Er is iets aandoenlijks in dat, voortdurend hopeloze pogen, het telkens weer van voren af aan beginnen, wanneer deze samenwerking tot nieuwe verlaging van het levenspeil heeft gevoerd. En wanneer het dan tot de hongerende miljoenen doordringt, dat de samenwerking langs de weg van het parlement tot telkens nieuwe nederlagen voert, dat deze vorm van samenwerking tussen de klassen in de praktijk de absolute dictatuur van de bezittende klassen betekent, dan geven ze uit de samenwerking op, zoals men logischerwijze zou verwachten, maar dan proberen ze het kapitaal tot een werkelijke samenwerking te dwingen ; ze proberen de samenwerking op een nieuwe grondslag, in een nieuwe vorm, te brengen. Dan groeit het fascistische nationaal-socialisme. Het zijn in het bijzonder de middenklassen van intellectuelen en kleine bezittenden (waarbij de boeren), die hierbij de leiding trachten te nemen. Vastgeklemd tussen de grote machten van groot-bourgeoisie en proletariaat, kunnen ze alleen hun heil in de samenwerking van de klassen zoeken. De groot-bourgeoisie bedreigt hen met ondergang door enorme werkloosheid in de intellectuele beroepen en de vernietiging van het kleine kapitaal in de concurrentiestrijd. Het proletariaat bedreigt hen in een proletarische revolutie, waar grote en kleine bezitters onteigend worden en de intellectuelen verantwoording moeten afleggen aan hen, die ze vroeger beheersten. De strijd om de samenwerking van de klassen moet daarom door deze middenklassen op leven en door gevoerd worden. En daarbij slepen ze voorlopig nog miljoenen onbewuste arbeiders mee.

Maar wat baat dit alles ? Heeft deze gedwongen samenwerking enig perspectief van verwerkelijking ? Neen. De sluwe groot-bourgeoisie zal deze beweging steunen, voorzover ze de frase gebruiken kan, maar laat zich tenslotte niet de wet stellen door deze middenklassen. Niet omdat ze dat niet wil, maar omdat het niet kan. De rentabiliteit van het kapitaal is de maatstaf, waaraan ze haar ‘wil’ tot samenwerking meet. Duitsland en Amerika leveren in dat opzicht leerzame voorbeelden.

De Duitse nationaal-socialisten, die een verlaging van de rentevoet en de nationalisatie van de grond op hun program hadden, die de warenhuizen en coöperaties wilden opheffen, die de banken en industrieconcerns onder toezicht van ‘economische commissarissen’ wilden zetten, zijn over de hele linie van het economische front door de groot-bourgeoisie teruggeslagen. Na drie maanden moesten alle ‘economische commissarissen’ teruggeroepen worden, omdat het bedrijfsleven alleen ‘onder vakkundige leiding’ kan functioneren ; de warenhuizen, de coöperaties, die nauw met het bankkapitaal verbonden zijn, bleven voortbestaan (het Tietzconcern werd zelfs met vijftien miljoen gesteund toen het bankroet dreigde te gaan) ; over de verlaging van de rentevoet mag niet meer gesproken worden, omdat dit de kapitaalmarkt (en daarmee het bedrijfsleven) ongunstig beïnvloedt. En de nationalisatie van de grond is geworden tot een vriendelijk verzoek aan de grootgrondbezitters, om hun goederen in het belang van de nationale opbouw voor kolonisatie beschikbaar te stellen. De middenklassen zijn in hun strevingen over de hele linie verslagen ; ze zijn in hun samenwerking van Kapitaal en Arbeid tot de gevangenen van het grootkapitaal geworden. Wat overblijft, is de verlaging van het levenspeil voor de brede massa’s, zoals dit voor het behoud van de kapitalen noodzakelijk is.

Amerika vertoont hetzelfde beeld, al gebeurt het daar onder andere vormen. De strijd tussen de verschillende kapitaal-groepen vertoonde zich daar in de ‘strijd om de dollar’. Voorlopig heeft het bank-kapitaal het verloren tegenover het verenigde industrie-, handels- en boeren-kapitaal : de dollar heeft een derde van zijn goudwaarde ingeboet. Van de samenwerking der klassen, zoals deze door Roosevelt in de ‘code’s’ is uitgedrukt komt niets terecht. Ze stuitten trouwens op heftig verzet van het industrie-kapitaal, welk verzet alleen gebroken werd door een nieuwe val van de dollar.

De fascistische golf, die over de wereld komt rollen, brengt daarom toch geen uitkomst. ’t Resultaat is tenslotte niet de samenwerking van de klassen, die men ‘wil’, maar de heftigste klassenstrijd, die men juist wilde voorkomen.

Toch moeten we daaruit niet afleiden, dat de gang naar de communistische productiewijze onvermijdelijk is. Het wil alleen zeggen, dat het kapitalisme op de huidige grondslag niet uit de impasse komt. Maar als door heftige klassenbotsingen de remmen, die een grote kapitaalvernietiging tegenhouden, wegvallen, dan is het herstel van het kapitalisme in nieuwe vorm zeer goed mogelijk. Want de kwestie waar het op aankomt, is, dat het belegde kapitaal tegenwoordig veel te groot is, om door de massa’s bevrucht te kunnen worden. Met andere woorden : de massa’s kunnen zoveel winsten niet voortbrengen. Het kapitalisme zou verder kunnen werken, als enorme kapitalen werden vernietigd, bijvoorbeeld als de staatsschulden werden geannuleerd en de grondrente werd opgeheven. Dat wil dus zeggen, als grote delen van de bezittende klassen onteigend zouden worden. Dergelijke maatregelen zien er zeer ‘revolutionair’ en ‘bolsjewistisch’ uit en nochtans zouden het slechts maatregelen zijn, om de loonarbeiders opnieuw in het uitbuitingsproces te kunnen opnemen.

Praktisch kunnen de bezittende klassen aan zulke radicale hervormingen niet denken, omdat ze moeilijk zichzelf de hals af kunnen snijden. ’t Gaat voor hun juist om het behouden van hun recht op de winsten. Maar ondanks dat blijven zulke ‘hervormingen’ nog een veiligheidsklep voor de bezittende klassen, voor als de nood werkelijk aan de man komt. In de periode van heftige klassenstrijd, die we zonder enige twijfel tegemoet gaan, zal het punt komen, waar de massa’s de macht van de bezittenden ernstig bedreigen. Als uiterste concessie zal de bourgeoisie dan bepaalde delen van haar klasse ten offer brengen, zoals een kapitein een deel van de lading overboord zet, wanneer het schip reddeloos verloren dreigt te gaan. De vorm, waaronder dit zich voltrekt zal voor de massa’s zeer misleidend zijn ; het zal waarschijnlijk de vorm aannemen van een zogenaamde ‘dictatuur van het proletariaat’. De sluwe, westerse bourgeoisie trekt zich dan op haar laatste bolwerk terug ; ze wordt zelf ook ‘revolutionair’ en stelt zich ‘in dienst van het arbeidende volk’. Zo gebeurde het in Rusland en Duitsland in 1918. Voor Nederland herinneren we aan het feit, dat Mr. Zimmerman, destijds burgemeester van Rotterdam, in 1918 zijn diensten aanbood voor het geval dat er een arbeidersregering tot stand kwam. De bedoeling van deze ‘revolutionaire bourgeoisie’ is, te redden wat te redden is, dat is zich op het bolwerk van het staatskapitalisme terugtrekken, om de uitbuiting (want daar gaat het om) te behouden. De oude arbeidersbeweging van sociaal-democratie en vakbeweging, alsmede de Communistische Partijen als filialen van Moskou spelen de bourgeoisie in dit opzicht volkomen in de kaart. In dit opzicht staat de arbeidende klassen nog een ontzettende nederlaag te wachten.

Voor revolutionaire arbeiders is het van belang, nu reeds op deze mogelijke ontwikkeling het oog te richten. Het staatskapitalisme dient principieel van de hand gewezen te worden. De propaganda dient gericht op het communistisch bedrijfsleven, dat werkt zonder kapitaal en op de behoeften van de mensen gericht is. De overgang van het kapitalistisch naar het communistisch bedrijfsleven kan niet anders betekenen, dan dat het beheer en de leiding van het maatschappelijk stofwisselingsproces in handen van arbeiders ligt, die het maatschappelijk leven door hun Raden van Arbeiders naar hun behoeften richten. Ze kunnen dat alleen door de bewegingswetten van de rentabiliteit van kapitaal op te heffen en nieuwe bewegingswetten voor het bedrijfsleven door te voeren, waarbij het maatschappelijk gemiddelde arbeidsuur de centrale as voor productie en consumptie wordt (Men zie hiertoe : ‘Grondbeginselen der communistische productie en distributie’, uitgave van de Groep Internationale Communisten).

Op de staats-kapitalistische strekkingen in de huidige ontwikkeling moeten we bedacht zijn en het moet duidelijk zijn, dat hier voor het kapitalisme nog uitwegen liggen. Deze crisis is dus volstrekt geen ‘doodscrisis’. Alleen de arbeiders kunnen er een doodscrisis van maken, door iedere uitweg af te snijden, dat wil zeggen het communistisch bedrijfsleven te grondvesten. Daarom is voor alles klare propaganda nodig. Klare propaganda omtrent het wezen van de kapitalistische en van de communistische productie. Dit moeten de hoekstenen zijn, waarop de ontwikkeling van het proletarische zelfbewustzijn moet rusten.

Webuitgave en inleiding verzorgd door Vico, 16 mei 2009.


NAWOORD


De bovenstaande tekst is naar de eerste druk. In de tweede druk (met twee oplagen) ontbreekt de tweede bladzijde van hoofdstuk I.a., zie : http://www.aaap.be/Pages/Pamphlets-GIC.html#3deb.

Volgt hier het voorwoord van de tweede druk :

Voorbericht bij de tweede druk

De snelle verkoop van de eerste druk van deze brochure heeft bewezen, dat we met deze uitgave een goede greep hebben gedaan. Het meest verheugt ons daarbij, dat het geschrift zoveel als grondslag wordt genomen in de verschillende ontwikkelingscursussen, die telkens meer door de arbeiders zelf worden gehouden. Graag hadden we bij deze druk een hoofdstuk toegevoegd, om aan de hand van de crisis-wetgeving te doen zien, hoe deze hele wetgeving er op gericht is, de grote kapitalen voor vernietiging te behoeden en de tegenstelling tussen de staten daarmee telkens heftiger naar een nieuwe wereldoorlog dringt. Helaas kunnen we echter daartoe niet de tijd vinden, zodat we deze tweede druk gelijk laten aan de eerste. Hopelijk kan een verdere uitwerking in bovenbedoelde zin in een van de vele cursussen ter hand genomen worden.

October 1934

de G.I.C.

Aanvulling door Vico, 30 maart 2016.